Taal is magie, zelfs voor wie niet gelooft dat het woord aan de wereld voorafging of zomaar vlees kan worden. Met taal openen we vergaderingen en vervloeken we vijanden, kunnen we onze gedachten onthullen en bewaren, kunnen we fantaseren over toekomstige of onmogelijke werelden. Iedere nieuwe combinatie van woorden en frases die we verzinnen roept nieuwe gedachten op, van vage poëtische associaties tot toetsbare uitspraken. Zonder taal is onze kennis over en beheersing van de wereld ondenkbaar. Letterlijk.
We kunnen met taal ook prachtig liegen en onszelf voor de gek houden. Dat maakt taal een effectief beheersinstrument, maar een twijfelachtige bron van kennis. Als taal bepaalt wat we verzinnen en daarna proberen te observeren, bepaalt taal dan ook als een soort bril wat we direct denken te observeren? Proeft wijn anders als je erover leert praten? Zie je minder aan sneeuw als je minder woorden kent om erover te praten? Is wat we zien vooral een artefact van onze taal, ware kennis een fictie, echte communicatie onmogelijk omdat iedereen een andere taal spreekt?
Talen vertonen inderdaad grote verschillen, maar niet zozeer in wat je ermee kunt, als wel in wat je ermee moet zeggen. Waar wij bij plaatsbepalingen moeten kiezen tussen op en in, moeten Koreanen kiezen tussen losjes en nauw passend. Waar een Engelsman het heeft over neighbour, moeten wij aangeven of het een buurman of buurvrouw is. Waar wij plaatsen relatief aanduiden, meestal met ons lichaam als referentiekader (‘Ga linksaf’), dwingen andere talen hun sprekers tot absolute locaties en richtingen (‘Ga naar het noorden’). Waar wij kunnen zeggen ‘De buurman is thuis’, moeten de Matses, een stam in het Amazonegebied, ook aangeven hoe en wanneer ze dat vastgesteld hebben: zelf gezien, van iemand gehoord, ergens uit afgeleid.
Deze aandacht voor verschillende aspecten van de ervaring kan gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor het geheugen. Matses zijn vast goede getuigen en sprekers met absolute referentiekaders zijn aantoonbaar beter in het onthouden van absolute posities en oriëntaties. Maar Engelsen verwarren hun buurvrouw vermoedelijk niet vaker met haar man dan wij. Koreaanse en Engelse kindertjes zien hetzelfde, maar leren om op andere aspecten te letten bij het beoordelen van configuraties.
De wereld oogt, ruikt of klinkt niet anders als ik van taal verander of met een andere taal opgroei. Alleen op ons gehoor lijkt taal een permanent effect te hebben: kinderen van een jaar kunnen irrelevante klankverschillen binnen de eigen taal al nauwelijks meer onderscheiden.
De diversiteit aan talen wijst niet op onverenigbare wereldbeelden, maar op een niet-talige ervaringswereld die rijker is dan de eigen taal doet vermoeden. Om praktische of toevallige redenen leggen zij andere accenten en kiezen zij andere manieren om nieuwe gedachten en nieuwe acties te formuleren. Geen reden tot somber relativisme dus. Taal is geen bril of laserbehandeling, maar een bewustzijnsverruimend middel, een machine waarmee we ontsnappen aan de beperkingen van het brein en de geest vrijelijk kunnen laten waaien.
Jos de Bruin
Ontwerper cognitiemodellen, zelfstandig gevestigd