Lees verder

Waarom associëren wij in een bepaalde context een abstract begrip zoals ‘liefde’ met warmte of zelfs met de nabijheid van een dierbaar persoon? Is dit iets wat wij meekrijgen met onze geboorte of is de associatie aangeleerd, bijvoorbeeld door het opgroeien in een warme, liefdevolle omgeving? In het proefschrift Grounding social relations van Hans IJzerman worden deze vragen vanuit verschillende theoretische invalshoeken aan de orde gesteld en soms op originele wijze beantwoord.

Eén van die invalshoeken is de Conceptual Metaphor Theory van Lakoff en Johnson. Volgens deze theorie hebben abstracte begrippen en metaforen hun basis in meer concrete ervaringen. Begrippen als liefde, affectie of sociale nabijheid komen voort uit vroege persoonlijke ervaringen waarin liefde samengaat met ervaringen van fysieke lichaamswarmte van de moeder en haar nabijheid, liefde en geborgenheid. De associaties tussen abstracte begrippen en concrete ervaringen zijn aangeleerd en asymmetrisch: een concrete ervaring van lichaamswarmte activeert ook het abstracte concept ‘liefde’, maar het abstracte concept kan niet de concrete ervaring activeren.
IJzerman heeft dergelijke activaties van concrete ervaringen in een aantal studies op een creatieve manier onderzocht door de associatie tussen warmte en affectie in de context van sociale relaties te plaatsen. In een aantal studies stond de vraag centraal in hoeverre affectie verband hield met warmte. Dit werd onderzocht in een aantal experimenten waarin proefpersonen de sociale nabijheid van bekenden beoordeelden terwijl ze aan een temperatuurmanipulatie werden blootgesteld. Deze bestond uit het ogenschijnlijk toevallig vasthouden van een kop met een warme of koude drank tijdens het experiment. Na het vasthouden van de warme kop bleken proefpersonen meer overlap te ervaren met bekenden en daarmee meer sociale nabijheid dan na het vasthouden van de koude kop.
Een ander nieuw element in het proefschrift van IJzerman was om empirische ondersteuning te vinden voor bidirectionele in plaats van asymmetrische relaties. Abstracte concepten zoals sociale nabijheid of eer zijn niet uitsluitend verankerd in concrete ervaringen, maar kunnen ook zelf ervaringen of lichaamshoudingen sturen. IJzerman onderzocht dergelijke wederzijdse effecten bij culturele normen en lichaamshouding in eerculturen. In de eercultuur staan de puurheid van de ongehuwde vrouw en de potentie van de man voorop. In een experiment moesten proefpersonen een taak uitvoeren waarin woorden gerelateerd aan eer voorkwamen. Tegelijkertijd moesten zij hun hoofd hoog houden (head high) of juist laag (hang dog). De ‘head high’- positie ging gepaard met een ondersteuning van culturele normen van de eercultuur terwijl dit niet het geval was met de ‘hang dog’-positie van het hoofd. Een omgekeerd effect werd in een ander experiment aangetoond door leden van eerculturen: na het instemmen met het gebruik van geweld in situaties waarin een persoon of de familie van die persoon wordt beledigd, liepen zij meer rechtop weg.
IJzerman laat zien dat de relatie tussen culturele normen en lichaamshouding bidirectioneel is. Hij toonde zo’n wederzijds verband eerder aan in een studie waarin proefpersonen enerzijds beïnvloed werden in hun sociale oordelen door een warme of koude omgevingstemperatuur en anderzijds deze omgevingstemperatuur anders inschatten als gevolg van de sociale nabijheid van een proefleider. De wijze waarop hij de bidirectionele relatie aantoont, is overtuigender bij de studie over sociale nabijheid dan in de studie over culturele normen. Het verband tussen warmte en affectie of sociale nabijheid wordt goed uitgewerkt en onderbouwd en is ook al in andere studies aangetoond. Het verband tussen culturele normen en lichaamshouding gaat echter een stap verder. Eerder onderzoek heeft laten zien dat een rechte houding samenhangt met trots en een ingezakte houding met schaamte, maar het is de vraag of het hoofd hoog houden bij het weglopen na het geven van een mening over het gebruik van geweld in sociale situaties, als een uiting van een culturele norm gezien kan worden. Het is ook niet duidelijk in hoeverre het steunen van geweld na een belediging daadwerkelijk gerelateerd kan worden aan de normen van een eercultuur.
Het zou daarom beter zijn geweest voor de argumentatie en de coherentie van het proefschrift als IJzerman de warmte-koudedimensie in de context van sociale nabijheid verder had uitgewerkt. Een krachtige theoretische onderbouwing voor de relatie tussen lichaamshouding en culturele normen ontbreekt, en de manier waarop een eercultuur geactiveerd wordt, roept meer vragen op dan antwoorden. Wel geeft hij empirische ondersteuning voor een aantal theoretische uitgangspunten waarin interacties tussen cognitieve processen, lichamelijke aspecten en de omgeving centraal staan. Tevens draagt hij goede argumenten aan tegen het asymmetrieprincipe van de Conceptual Metaphor Theory. Daarmee lijkt hij zich tegen het idee van uitsluitend aangeleerde associaties te keren en zich aan te sluiten bij de theoretische uitgangspunten die lichamelijk contact en warmte als essentiële voorwaarden voor overleving en welzijn zien. Of bepaalde lichaamshoudingen ‘prewired’ zijn in relatie tot culturele normen, zou pas na verder onderzoek duidelijk kunnen worden. De vraag is of een verandering in ervaring, van warmte of van lichaamshouding bijvoorbeeld, altijd van invloed is op het concept waarmee die ervaring geassocieerd wordt, of gewoon een kortstondig effect is van een zorgvuldig gecontroleerde manipulatie. De kwestie of de associatie van abstracte begrippen met concrete ervaringen aangeleerd is of niet, blijft daarmee vooralsnog open.

Mw dr. K. Dijkstra is als ud Biologische en cognitieve psychologie verbonden aan de Ersamus Universiteit Rotterdam. E-mail: k.dijkstra@fsw.eur.nl.