Lees verder

Na de overgave van Duitsland in 1945, probeerde Rudolf Höss, voormalig kampcommandant van Auschwitz, aan de geallieerde troepen te ontsnappen door een valse naam te gebruiken. Uiteindelijk wisten de geallieerden hem echter op te sporen en werd hij uitgeleverd aan Polen. Daar werd hij berecht, om in 1947 in zijn ‘eigen kamp’ opgehangen te worden. In afwachting van zijn vonnis schreef hij een autobiografie, die hij zelf de enigszins pompeuze titel Meine Psyche. Werden, Leben und Erleben meegaf. Het is een in meerdere opzichten curieus verslag. Zo schrijft hij met onverholen beroepseer over de technische verbeteringen die hij in het kamp doorvoerde, waarna het mogelijk werd om in één keer tweeduizend in plaats van tweehonderd gevangenen te vergassen.

Toch vinden we in Höss’ autobiografie ook sporen van menselijkheid, al levert dat juist de meeste bizarre passages op. Hij schrijft dat hij onder de indruk was van de manier waarop Joodse moeders hun kinderen in bescherming namen, letterlijk tot aan de drempel van de gaskamer. ‘Den um Erbarmen flehenden Blick der Mutter, die bestimmt wußte, was geschieht, werde ich nie vergessen’, schrijft Höss met iets van gevoel.
Even verderop meldt hij dan dat hij bij de aanblik van vrouwen en kinderen, onwillekeurig aan zijn eigen gezin moest denken. Dat had het gelukkig goed in Auschwitz, schrijft hij zonder ironie. De kinderen leefden er vrij en ongehinderd. De tuin van zijn vrouw was een bloemenparadijs en er waren veel dieren: ‘Unseren beiden Pferden und dem Fohlen galt die besondere Liebe’. De grootste vreugde van de kinderen was echter als vader tijd voor ze had en dat, bekent hij, was te weinig het geval geweest.
Dat mensen slecht kunnen zijn, willen we wel geloven. Dat mensen goed zijn, is wat we op zijn minst hopen. Maar dat mensen die thuis een liefhebbende vader zijn, in een andere context veranderen in wrede, meedogenloze wezens, is iets dat altijd weer schokt. Psychologen – zoals Stanley Milgram en Philip Zimbardo – hebben vele malen geprobeerd te achterhalen hoe het mogelijk is dat ‘gewone mensen’ tot het kwaad komen, maar zonder het raadsel op te lossen: zijn wij in essentie nu goed of slecht? In twee recente publicaties is geprobeerd de vraag te beantwoorden, zij het vanuit een tegengesteld perspectief. We beginnen bij het slechte nieuws.

De hel dat zijn anderen
In Het wrede brein stelt de Britse onderzoeker Kathleen Taylor dat het kwaad inherent is aan ieder van ons, ook al slagen we er gelukkig vaak in het binnen de perken te houden. De Tweede Wereldoorlog en de gruwelen van de Holocaust zijn ook bij haar het ijkpunt en maken onbetwistbaar duidelijk dat de mens tot alles in staat is. Zij meent dat het kwaad geworteld is in de architectuur van ons brein en gaat uitvoerig in op de basale rol die gevaar, angst en walging spelen in de totstandkoming van wreedheid.
Dat mensen in bedreigde situaties tot alles in staat zijn, is niet zo verrassend en we verschillen daarin ook niet zoveel van andere diersoorten. Wreedheid is in Taylors definitie echter vrijwillig. Het veronderstelt keuzes, overtuigingen en intenties en daarmee zijn wij – als enige diersoort – verantwoordelijk voor onze wrede daden.
Taylors analyse van het fenomeen walging is in dit verband interessant. Ze bespreekt hoe weinig er maar nodig is om de intrinsieke waarde van mensen teniet te doen. De associatie van Joden met zaken die walging oproepen, maakte het mogelijk om hen als onwaardige mensen te beschouwen. De Duitse propaganda maakte ook daadwerkelijk gebruik van dit mechanisme door over Joden uitsluitend in walging-oproepende termen te spreken – ratten, ongedierte. In onderzoek is aangetoond dat een woord als ‘kotsen’ al fysieke reacties oproept.
Een ander belangrijk mechanisme waar Taylor op ingaat, is wat zij otherization noemt: het aanbrengen van een scherpe tegenstelling tussen ‘wij’ en ‘zij’. Uit tal van onderzoek blijkt dat we heel anders reageren op leden die tot onze in-group behoren, vergeleken met out-group-leden. Door hun overtuigingen en intenties toe te schrijven die haaks staan op de onze, rechtvaardigen we een vijandbeeld en creëren we een legitimatie voor wreedheid. Omdat verschillen tussen ‘wij’ en ‘zij’ zich op allerlei niveaus kunnen voordoen (van een gezin met een zwart schaap tot supranationaal niveau) schuilt er in anderen altijd een gevaar.

De hemel dat zijn anderen
De enige manier om aan de wreedheid te ontkomen, aldus Taylor, is langs de weg van de ratio, dat wil zeggen, via ons inzicht in de mechanismen van de wreedheid. Wie dit een wel erg zwakke basis vindt, wil ik het goede nieuws niet onthouden, want, zo schrijven wetenschapsjournaliste Maia Szalavitz en kinderpsychiater Bruce Perry in Het liefdevolle brein: de mens wordt met een talent voor empathie geboren. Het enige dat we hoeven te doen is dat talent de ruimte geven. De opvoeding speelt hierbij een cruciale rol. De afhankelijkheid van een pasgeborene, zijn behoefte aan zorg, vormt het startpunt voor zijn hechting aan volwassenen, die op hun beurt gemakkelijk vallen voor de charmes van een baby.
Baby’s spelen ook actief een rol in het ontlokken van empathische reacties van hun verzorgers, zoals blijkt uit het zogenoemde ‘still-face’ experiment. Hierin wordt moeders gevraagd op geen enkele manier – zonder enige gezichtsuitdrukking – te reageren op de emotionele expressie van hun baby. De baby doet er vervolgens alles aan om de aandacht van zijn moeder te winnen, maar als dat niet lukt wordt hij angstig, in zichzelf gekeerd of gaat hij huilen. Voor zowel moeder als kind is het experiment een stressvolle ervaring.
De auteurs benadrukken dat menselijke gemeenschappen uitstekend uitgerust zijn voor liefdevolle zorg. Successen op dat terrein werken ook nog eens zelfversterkend voor de empathische band en daarmee voor de sociale binding. ‘De hemel, dat zijn anderen’, heet dan ook de titel van hun eerste hoofdstuk.
Vanuit hun klinische ervaringen komen ze echter ook in aanraking met gevallen waarin de band met anderen minder soepel tot stand komt. De gevolgen – gedepriveerde, getraumatiseerde en ontspoorde kinderen – worden in het boek uitgebreid besproken. Toch zullen kinderen ook in gevallen waar ouders tekortschieten er volgens Szalavitz en Perry alles aan doen hun empathie aan te wenden, door bijvoorbeeld subsitituten te zoeken in knuffels of de televisie. Dat kinderen zich in die gevallen problematisch ontwikkelen, zegt niet in de eerste plaats iets over hun gebrekkige empathie, maar over de noodzakelijkheid van wederkerigheid in empathische relaties. Szalavitz en Perry zijn van mening dat we ontsporingen in de (kinderlijke) ontwikkeling kunnen voorkomen, door als samenleving de voorwaarden te scheppen waarin empathische relaties kunnen gedijen. De sentimenten worden daarbij breed uitgestald, op een manier waar Amerikanen een patent op lijken te hebben. Voor iedereen die weleens last heeft van een sceptisch brein, is dat soms even slikken, maar uiteindelijk denk ik dat Szalavitz en Perry dichter bij de waarheid zitten dan Taylor. Niet de wreedheid inperken, maar de empathie ruim baan geven, daar gaat het om.
Soms, zo schrijft Höss in zijn autobiografie, had zijn vrouw zich weleens over hem beklaagd: ‘denk toch niet altijd aan je dienst’. De balans opmakend constateert hij dan: ‘Heute bereue ich es schwer, daß ich mich nicht mehr Zeit für meine Familie nahm’. Ik vermoed eigenlijk dat het voor iedereen beter was geweest.

Dr. G. Breeuwsma is als ontwikkelingspsycholoog verbonden aan de afdeling Klinische en Ontwikkelingspsychologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is tevens redacteur van De Psycholoog.
E-mail: 
g.breeuwsma@rug.nl.