Lees verder

In 1992 zou de Engelse psycholoog Hans Jürgen Eysenck (Berlijn 1916 – Londen 1997) in Amsterdam de Duijker-lezing houden, over ‘Honderd jaar persoonlijkheidsonderzoek vanaf Heymans tot heden’. Willem Hofstee schreef ter inleiding in De Psycholoog: ‘Boven elke discussie verheven is de bijdrage die Eysenck heeft geleverd tot wat men de emancipatie […] van de psychologie als wetenschap zou kunnen noemen’. De Amsterdamse studentenvakbonden noemden Eysenck echter een racist en dreigden de lezing te komen verstoren. Eysenck, die al zo’n twintig jaar ervaring had met protesterende studenten, bedankte daarop voor de eer en bleef thuis.

Eysenck was controversieel: waar de een zijn bijdrage aan de wetenschappelijke psychologie loofde, zag de ander hem als handlanger van het establishment met ultrarechtse opvattingen. Eysenck: je was voor hem of tegen hem, een tussenweg leek er niet te zijn. Je kon hem ook niet negeren. Zowel binnen als buiten het academisch circuit was hij in de tweede helft van de twintigste eeuw een van de meest toonaangevende psychologen. In vijftig jaar tijd publiceerde hij tachtig boeken en 1100 artikelen, en hij werd daarmee ook de meest geciteerde psycholoog van zijn generatie.
De Australische wetenschapshistoricus Rod Buchanan, voormalig postdoc onderzoeker bij de groep ‘Theorie en geschiedenis van de psychologie’ (RuG), schreef met Playing with fire een magistrale biografie. Na lezing ervan begrijp je waarom Eysenck zowel bewonderd als verguisd werd; voor beide waren voldoende redenen aanwezig. Via Eysenck laat Buchanan echter ook zien hoe succes in de wetenschap gerealiseerd kan worden: door een passende combinatie van wetenschappelijke, retorische en pragmatische operaties en strategieën. ‘Opportunity meets ambition’, schrijft Buchanan. Een deel van Eysencks enorme productie is bijvoorbeeld te verklaren uit het onderzoekswerk van de tientallen doctoraalstudenten en promovendi die jaarlijks zijn afdeling binnenstroomden. Niet dat hij, zoals tegenwoordig vaak gebeurt, als hoogleraar zijn naam toevoegde aan publicaties van zijn medewerkers: Eysenck schreef zelf, en was ook meestal de enige auteur. Hij situeerde de onderzoeksbevindingen van zijn staf in een overkoepelende visie, waarbij hij aan de polemische inzet van zijn artikel of boek vaak voorrang gaf boven een nauwkeurige weergave van de eigenlijke onderzoeken. Eysenck was een typische ‘big picture man’, aldus Buchanan, en hij ging gretig de ‘onzin’ in de psychologie te lijf.

Meten is weten
Toen Eysenck, uit Duitsland weggevlucht voor de nazi’s, in 1934 ging studeren aan het University College in Londen wist hij amper iets van psychologie. Natuurkundige worden was zijn jongensdroom geweest, maar uiteindelijk koos hij ervoor bij Cyril Burt psychologie te gaan studeren. De door Spearman en Burt opgezette psychologieafdeling kenmerkte zich door een exclusief kwantitatieve aanpak. Met zijn voorliefde voor de natuurwetenschappen voelde Eysenck zich sterk aangetrokken tot dit type psychologie, en hij maakte het tot zijn handelsmerk.
In 1942 werd Eysenck hoofd onderzoek bij de afdeling psychiatrie van het Maudsley Hospital. Bij de promotie van zijn experimenteel-kwantitatieve aanpak schuwde hij de controverse met de meestal psychoanalytisch angehauchte psychiaters niet. Niet alleen betitelde hij Freud als een charlatan, hij stelde ook dat de invoelende, patiëntgeoriënteerde benadering in de psychiatrie geen enkele wetenschappelijke grondslag had. Een wetenschappelijke benadering van de persoonlijkheid zou hypothetischdeductief moeten zijn, een logische verbinding van theorie en toetsbare uitspraken. Het unieke individu is slechts een snijpunt van kwantitatief te bepalen variabelen. Eysenck, die zich overigens verre hield van contact met patiënten, opende hiermee als een van de eersten de aanval van de psychologen op het medisch bolwerk in de geestelijke gezondheidszorg.
In zijn streven naar ‘elegante theorie’ probeerde Eysenck met zo weinig mogelijk dimensies zo veel mogelijk variatie te verklaren. Aanvankelijk waren dat er twee: neuroticisme en dysthymie (introversie-extraversie), later voegde hij er ‘psychoticisme’ aan toe. Deze zouden voldoende zijn om de onderliggende structuur van de persoonlijkheid te verklaren. Met de publicatie van Dimensions of personality (1947) legde hij de basis voor een groots onderzoeksprogramma op het gebied van de persoonlijkheidspsychologie. Geïnspireerd door het werk van Pavlov en Hull, probeerde hij bovendien de biologische verankering van persoonlijkheidsverschillen vast te stellen (onder andere in The biological basis of personality, 1967).
Daarnaast bond hij de strijd aan met de psychotherapeuten (lees: de psychiaters). In zijn artikel ‘The effects of psychotherapy’ (1952), een van de eerste metastudies op dit gebied, concludeerde hij dat er geen bewijs was dat psychotherapeutische interventies beter waren dan géén behandeling. Dit was een steen in de vijver van de psychotherapie, en Eysencks naam was meteen gevestigd. Mede als gevolg van dit artikel, ontstond er een nieuw onderzoeksveld (het effectonderzoek) en kwam er ruimte voor alternatieve vormen van gedragsbeïnvloeding, i.c. de gedragstherapie.

Wetenschap is oorlog
Eysenck publiceerde graag en veel (Buchanan noemt hem zelfs een ‘dwangmatig schrijver’). Als man-met-een-missie schreef hij niet alleen wetenschappelijke artikelen, maar ook tal van populair-wetenschappelijke boeken, zoals Sense and nonsense in psychology, Uses and abuses of psychology, You and neurosis, Psychology is about people. Ze hadden hetzelfde doel als zijn wetenschappelijke publicaties: het scheiden van kaf en koren in de psychologie. Eysenck meende oprecht dat hij, als ‘rebel with a cause’ (de titel van zijn autobiografie), de aangewezen persoon was om die opdracht uit te voeren, en kruiste daarbij gretig de degens met tegenstanders uit de academische en professionele psychologie. Zijn standpunten en venijnige wijze van debatteren bezorgden hem veel vijanden.
Dat linkse studenten hem aanvielen was nauwelijks verbazingwekkend, maar hij kreeg ook stevige kritiek van collega-wetenschappers (zoals Milton Rokeach). In zijn publicaties was Eysenck nogal selectief in de rapportage van gegevens en sommige van zijn bronnen (vaak onderzoeksrapportages uit eigen stal) waren moeilijk te achterhalen. Wie poogde de door hem gerapporteerde experimenten te repliceren, slaagde daar vaak niet in. In debatten over zijn publicaties overblufte Eysenck zijn tegenstanders vaak met statistische details en slalomde hij behendig om de zwakke plekken in zijn onderbouwing heen. In de loop van de tijd leverde hem dat een slechte reputatie op.
Eysenck was er aanvankelijk in geslaagd zichzelf als een ‘sterk merk’ in de markt te zetten, maar halverwege de jaren zeventig begon het tij te keren. Eerder dan een specialist was Eysenck een generalist die zijn biologisch gewortelde differentiële psychologie op allerlei domeinen toepaste, zoals het onderzoek naar politieke attitudes, het verband tussen ras en iq, en de relatie tussen persoonlijkheid, roken en longkanker. Soms maakte hij daarbij onbegrijpelijk onhandige keuzes. In zijn boek Smoking, health and personality (1965) stelde hij dat het causaal verband tussen roken en longkanker niet bewezen was; belangrijker was volgens hem dat er een significante correlatie was tussen roken en persoonlijkheid: rokers scoren hoger op extraversie. Gedragstherapie voor deze specifieke risicogroep was dus eerder aan de orde dan algemene banvloeken over roken en gezondheidsrisico’s, aldus Eysenck. Dit alles was koren op de molen van de tabaksindustrie, die hem daarom graag van nieuwe onderzoeksgelden voorzag. Dat hij hiermee zijn wetenschappelijke onafhankelijkheid op het spel zette, leek hij niet te beseffen.
Eysenck vond dat hij zich meer kon permitteren dan anderen, omdat hij immers werkte vanuit een beproefde visie die het mogelijk maakte gegevens uit verschillende onderzoeksgebieden en disciplines vruchtbaar met elkaar te combineren. Dat die gegevens bij dat combineren af en toe wat bijgebogen moesten worden, was een secundaire kwestie als duidelijk was dat je het bij het rechte einde had. Zijn dimensies representeerden de onderliggende structuur van de psychologische werkelijkheid, en empirische data vormden de imperfecte en soms misleidende representatie van deze werkelijkheid. Zo was Eysenck als man van de grote visie ongemerkt en ongewild in het kamp terechtgekomen van zijn grootste psychologische rivaal: Sigmund Freud…

Dr. R. Abma is verbonden aan het departement Algemene Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht en is redacteur van De Psycholoog..