Vervolgens stelt hij dat er binnen de psychologie een overdaad aan labels bestaat voor allerhande verschillende subdisciplines zoals de pastorale psychologie, topologische psychologie, en culinaire psychologie. Een dergelijke wildgroei aan benamingen is hem een gruwel: ‘Want als er maar één psychologie is, dan moet men zich niet uitdrukken alsof er tweehonderd of tweeduizend zouden zijn.’
Wellicht ben ik als methodoloog doorgeschoten in mijn kritische houding jegens iedere willekeurige bewering, maar Duijkers zorg dat een uitgebreide nomenclatuur zorgt voor fragmentatie van de psychologie deel ik niet. Subdisciplines met hun eigen benaming bestaan in alle vakgebieden: in de economie, in de biologie, in de wiskunde, en in de natuurkunde. De Wiki over natuurkunde (http://nl.wikipedia.org/wiki/Natuurkunde) geeft een lijst van 25 subdisciplines, die elk vaak weer onderverdeeld kunnen worden in hun eigen sub-subdisciplines. Werkt dit classificatiesysteem de fragmentatie van de natuurkunde in de hand? Ik denk van niet. Het is begrijpelijk dat de deeltjesfysicus andere interesses heeft dan de fysicus die zich richt op niet-lineaire dynamica, en het is overzichtelijk dat ze hun werk in aparte tijdschriften kunnen publiceren.
Na het artikel van Duijker oppervlakkig gelezen te hebben zou een buitenstaander dan ook gemakkelijk kunnen concluderen dat het hier een non-probleem betreft, iets wat Duijker zelf ook bij herhaling suggereert. Als ware het de zwaartekracht is er namelijk een overheersend principe dat de psychologie en alle andere wetenschappelijke subdisciplines bijeen houdt: het gebruik van de wetenschappelijke methode. In zijn klassieke werk The grammar of science verwoordt Karl Pearson dit inzicht als volgt (1892, p. 16 van de 1938-editie; mijn vertaling):
‘Dit nu is de eigenaardigheid van de wetenschappelijke methode, dat wanneer deze tot gewoonte is geworden, de geest welke feiten dan ook omzet tot wetenschap. Het gebied der wetenschap is grenzeloos; haar materiaal is eindeloos, iedere verzameling natuurlijke verschijnselen, iedere fase van sociaal leven, ieder stadium van ontwikkeling in heden of verleden vormt materiaal voor wetenschap. De eenheid aller wetenschap bestaat enkel in haar methode, niet in haar materiaal. De man die feiten van welke aard dan ook classificeert, die hun wederzijdse relatie ziet en hun sequenties beschrijft, past de wetenschappelijke methode toe en is een man van de wetenschap. De feiten mogen behoren tot de menselijke geschiedenis, tot de sociale statistiek van onze grote steden, tot de atmosfeer van de meest verafgelegen sterren, tot de digestieve organen van een worm, of tot het leven van een nauwelijks zichtbare bacil. Het zijn niet de feiten op zichzelf die leiden tot wetenschap, maar de methoden waarmee deze worden behandeld.’
Getob over de nomenclatuur der psychologie is dan ook niet aan de orde. Alle inspanning zou erop gericht moeten zijn om de wetenschappelijke methode zo zuiver mogelijk toe te passen, ongeacht of men nu werkzaam is in de pastorale psychologie, topologische psychologie, of culinaire psychologie.