Lees verder

Leuk idee voor een realityshow! Je pikt willekeurig een aantal mensen van straat op, brengt ze met treinladingen vol naar een kamp, waar selecteurs ze indelen in gevangenen en kapo’s, legt de basisprincipes van het spel uit en de show kan beginnen. De spelers, hoe onvoorbereid ook, groeien verrassend snel in hun rol, alsof ze nooit iets anders gedaan hebben, ja zelfs alsof ze eindelijk hun bestemming hebben gevonden. Ook de camera’s die overal in het kamp hangen, vormen geen belemmeringen voor de acteurs, maar bevestigen juist hun rol. De kijkcijfers zijn enorm (‘daar gebeurt tenminste wat’), al zijn er natuurlijk verontwaardigde kijkers. Als een van de gevangenen – het oogappeltje van de show – de kijkers aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid (‘u bent de echte kapo’s’), laat dat niemand onberoerd. Maar de kijker is de gevangene van zijn eigen paradox: hoe meer hij tot de conclusie komt dat hij niet moet kijken, des te meer kijkt hij.

De realityshow heet toepasselijk Concentratie. De show bestaat niet echt, maar is ontsproten aan het brein van de Franstalige Belgische schrijfster Amélie Nothomb, opgetekend in haar roman Zwavelzuur uit 2006. Een onsmakelijk, pervers idee, een bizarre fantasie? Het zal de schrijfster om het even zijn; zij weet dat een beetje schandaal de verkoopcijfers ten goede komt. En daarbij, een bizarre fantasie is het in ieder geval niet, dat had Philip Zimbardo met zijn Stanford Prison Experiment in 1971 al aangetoond. In zijn boek Het Lucifer effect, dat dit jaar in het Nederlands verscheen (met een heldere inleiding van de vertalers), blikt hij terug op dat experiment, in de hoop zo meer zicht te krijgen op de werking van het kwaad.

De banaliteit van het kwaad
Samen met het gehoorzaamheidsonderzoek van Stanley Milgram, hoort Zimbardo’s onderzoek tot het meest aansprekende dat de psychologie te bieden heeft: baanbrekend en met onthutsende uitkomsten. Milgram en Zimbardo waren trouwens studiegenoten en de motivatie achter hun beider onderzoek komt sterk overeen.
Hoe konden gewone Duitsers in de nazitijd veranderen in moordenaars en beulen, was de vraag waar de jonge Milgram zich begin jaren zestig het hoofd over brak. Milgrams docenten waren ervan overtuigd dat Amerikanen, met hun onafhankelijkheid en vrijheidslievendheid, nooit tot zoiets in staat zouden zijn. Psychiaters meenden, voorafgaand aan Milgrams onderzoek, dat minder dan 1 procent van de deelnemers bereid zou zijn stroomstoten van het hoogste voltage te geven aan hun ‘slachtoffers’. Het werd 65 procent.
Hoe kunnen we het handelen van Milgrams proefpersonen verklaren? Haalde het onderzoek het kwaad in de mens naar boven, of was vooral de context van het onderzoek verantwoordelijk voor de extreme gehoorzaamheid van verder normale proefpersonen? Om die vraag te kunnen beantwoorden, besloot Zimbardo zijn onderzoek van het laboratorium naar een real-life setting te verplaatsen, die van een nagebootste gevangenis.
De aanloop naar het experiment begon al levensecht. De proefpersonen werden op een zondagochtend thuis gearresteerd door echte agenten en naar de gevangenis gebracht. Daar kwam de confrontatie met de bewakers en kon het gevangenisexperiment beginnen. Twee weken zou het moeten duren, maar na zes dagen werd het afgebroken.

Van kwaad tot erger
De eerste helft van het boek geeft een gedetailleerde beschrijving van wat er tussen zondag en vrijdag gebeurde. Ook al ken je de uitkomst van het onderzoek, dan nog blijft het schokkend om te zien hoe snel iedereen zich voegt in zijn rol. Op maandag is de spanning al hoog opgelopen en komen de gevangenen in opstand. Op dinsdag wordt er bezoek toegestaan. Een moeder schrikt hevig van de gedeprimeerde en verwaarloosde staat waarin ze haar zoon aantreft. Niettemin schikt zij zich naar het gevangenisregime. Ze geeft haar zoon geïntimideerd een hand in plaats van de gebruikelijke omhelzing en wenst de onderzoekers veel succes met het experiment. De zoon wordt later wegens een acute stressreactie voortijdig uit het experiment gehaald.
Vervolgens gaat het van kwaad tot erger. De bewakers geven zich over aan sadistische spelletjes en de gevangenen worden steeds lijdzamer. Dan komt op vrijdag een nieuwkomer, Christine Maslach (Zimbardo’s toenmalige verloofde en latere vrouw), roet in het eten gooien. Zimbardo had haar gevraagd te helpen bij een tussenevaluatie, maar wat zij aantreft in de gevangenis schokt haar enorm: is iedereen gek geworden? Ze ziet jonge mannen in een onmenselijke situatie en vindt dat het onderzoek onmiddellijk moet stoppen. Zimbardo is woedend, maar als hij weer bij zinnen komt, realiseert hij zich dat ook hij zichzelf had verloren in het experiment. Hij blaast het af.

Systemen van het kwaad
Hoe kon het kwaad zich zo snel ontwikkelen? In de tweede helft van zijn boek probeert Zimbardo een antwoord te geven op die vraag. Psychologen zoeken hun heil meestal bij twee typen verklaringen. In de dispositionele verklaring staat de aanleg van het individu centraal, in de situationele verklaring daarentegen gaat het om de context waarin hij zich bevindt. Volgens Zimbardo zijn veel psychologen besmet met een dispositioneel vooroordeel: iemand doet slecht omdat hij slecht is. De verwijtbaarheid van gedrag ligt daarmee bij het individu. In de moderne psychiatrie, de klinische psychologie, persoonlijkheidspsychologie en testleer domineren dispositionele verklaringen en blijft de context vaak buiten schot.
Zimbardo meent dat sociaal-psychologen van huis uit meer geneigd zijn naar de sociale voorwaarden van gedrag te kijken. Ik vermoed dat hij daarbij denkt aan zijn eigen generatie, want moderne sociaal-psychologen hebben zich inmiddels ook ontpopt tot aanhangers van de dispositionele verklaring, bij voorkeur onder de vlag van de evolutionaire psychologie.
Hoe dan ook, Zimbardo wijst een dispositionele verklaring af. Inzicht in de situatie is echter niet voldoende om gedrag te begrijpen. Hij laat zien hoe mensen in negatieve omstandigheden wel degelijk in staat zijn goed te handelen. Hij denkt dan ook dat vooral het systeem bepalend is voor hoe het handelen van mensen uitpakt. Een strikte hiërarchie, depersonalisatie en anonimiteit, conformisme, gehoorzaamheid, ontmenselijking, maar ook een eigen – vaak verhullend – taalgebruik, zijn de instrumenten waarmee systemen het kwaad aan de man brengen. Ze zijn werkzaam in de Nazi-ideologie, in gevangenissen, in Abu Ghraib, maar in feite ook in het psychologisch experiment: met de autoriteit van de onderzoeker, de proefpersoon die geanonimiseerd ‘meehelpt’ aan een onderzoek (in plaats van medeproefpersonen te straffen).
Zimbardo komt tot de conclusie dat de meeste mensen onder druk van het systeem tot veel kwaad in staat zijn, zonder dat ze daarmee slecht zijn. Dat is meer dan een theoretische stellingname, want Zimbardo heeft zich diverse keren geroerd als activist en als getuigedeskundige in het proces van de Abu Ghraib-militair Chip Frederick. Hoe afkeurenswaardig de daden van Frederick ook zijn, hij is evenzeer het slachtoffer van extreme omstandigheden en systemische macht. Verbeter de mens, begin bij het systeem!
Zimbardo’s onderzoek is terecht een ‘klassieker’ in de psychologie. Er is geen handboek of inleiding of het wordt behandeld en eigenlijk denk je dat je het allemaal wel weet. Toch weet de auteur je met zijn indrukwekkende uiteenzetting bij de kladden te pakken en je denkbeelden over goed en kwaad weer flink op te schudden. Bovendien is zijn uitvoerige verslag, met alle uitweidingen naar de actualiteit, zelfconfronterend. Hoe zou je zelf onder vergelijkbare omstandigheden gehandeld hebben? Met Bob Dylans woorden – ‘some of us are prisoners, the rest of us are guards’ – in het achterhoofd, is het verstandig er rekening mee te houden dat de meesten van ons, net als Lucifer, gevallen engelen zijn.

Dr. G. Breeuwsma is als ontwikkelingspsycholoog verbonden aan de afdeling Klinische en Ontwikkelingspsychologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is tevens redacteur van De Psycholoog. E-mail: g.breeuwsma@rug.nl.