Een grote groep studenten kampt met gezondheidsklachten en een studieachterstand, maar het blijkt dat velen van hen niet of nauwelijks zijn te motiveren om daar deskundige hulp voor te zoeken. Waarom niet? Op deze vraag trachten de auteurs van dit boek een antwoord te geven.
Volgens de heersende vooroordelen ‘zijn studenten intelligent genoeg om zelf hun problemen op te lossen. Hun onhygiënische en ranzige leefstijl duidt erop dat ze hun gezondheid niet zo serieus nemen, ze zijn te druk met zuipen en feesten. En als ze al problemen hebben, dan moeten ze i.p.v. overdag hun roes uit te slapen maar eens hard gaan werken’.
Al in 1935 had de maatschappij blijkbaar bovenstaand beeld van studenten. En hoewel sommige studenten dit vooroordeel natuurlijk bevestigen, blijkt uit onderzoek dat het gedrag van het overgrote deel helemaal niet ongezonder of risicovoller is dan dat van andere groepen in de samenleving. De auteurs benadrukken hoe deze hardnekkige vooroordelen zowel de student als diens omgeving en ook hulpverleners negatief beïnvloeden. Studenten krijgen vaak te horen dat ze zich niet moeten aanstellen en dat ze niet weten wat echte problemen zijn. Velen van hen voelen de druk om zich sterker voor te doen dan ze werkelijk zijn.
Uit onderzoek blijkt echter dat veel studenten onder hoge stress en druk staan en zich moeilijk kunnen ontspannen. Oververmoeidheid, sombere gedachten, eenzaamheid en zelfs suïcidale gedachten komen onder studenten aanzienlijk vaker voor dan onder hun niet-studerende leeftijdsgenoten. Maar hoewel de hulp voor studenten vaak dichtbij, laagdrempelig en (nagenoeg) kosteloos is, maakt een grote groep hiervan toch geen gebruik. Wat houdt hen tegen? Volgens de auteurs is het antwoord op deze vraag niet te vinden in de gangbare wetenschappelijke theorieën over het uitblijven van de hulpvraag. Deze theorieën laten namelijk ten onrechte allerlei contextuele factoren buiten beschouwing.
De overgang naar universiteit of hogeschool brengt veel veranderingen met zich mee waardoor de identiteit van studenten flink onder druk kan komen te staan. Gezondheidsproblemen worden vaak een onderdeel van de nieuwe identiteit. Uit wetenschappelijke studies en praktijkervaringen van (studenten)psychologen, blijkt dat studenten hun problemen liever voor zich houden en, vergeleken met andere cliënten, hun kwetsbaarheid
niet graag tonen. Bovendien speelt het besluit om hulp te zoeken zich niet alleen af in het hoofd van de student, het is ook ingebed in de omgeving. De auteurs beschrijven heel helder hoe de ontstaansgeschiedenis en de context van de gezondheidsproblemen invloed uitoefenen op het uitblijven van de hulpvraag. Vernieuwend aan dit boek is dat het niet vanuit het perspectief van de hulpverlening is geschreven, maar juist vanuit het perspectief van de studenten zelf. Aan de hand van veertig diepteinterviews hebben de auteurs zes studentenprofielen geformuleerd die de gezondheidsproblemen beschrijven vanuit de ogen van studenten, geïllustreerd met hun verhalen. Zo wordt in studentenprofiel ‘Schone Schijn’ beschreven hoe het zelfbeeld van de student in het geding kan komen als er een discrepantie ontstaat tussen (hooggespannen) verwachtingen over de studie(voortgang) en de realiteit. Om niet te hoeven erkennen dat de studie niet lukt, houden deze studenten de schijn van ‘geslaagde student’ op en storten ze zich in allerlei activiteiten.
In het profiel ‘Gekoesterde Eenzaamheid’ worden studenten besproken die geen aansluiting (meer) vinden bij andere studenten. Het isolement wordt door de student zelf bestempeld als teken van een uitzonderlijke studiesituatie. Het zoeken van hulp zou inhouden dat ze moeten toegeven dat hun exclusieve situatie niet zo mooi is als voorgewend. In het derde profiel beschrijven de auteurs hoe de studietijd in het teken staat van het ontwikkelen van een nieuwe ‘ik’. Onder studenten wordt stress als een statussymbool gezien, en zorgt er juist voor dat ze ‘erbij’ horen.
‘Tussen Twee Werelden’ gaat over de studenten die het gevoel hebben beklemd te zitten tussen verschillende leefwerelden. Studenten willen loyaal zijn aan hun ouders en tegelijk voldoen aan de verwachtingen van hun nieuwe studieomgeving. Ze nemen vaak in verschillende situaties een andere rol aan, waardoor ouders geen goed beeld hebben van hun problemen en hen niet stimuleren om hulp te zoeken. Het profiel ‘Troosteloze Eenzaamheid’ gaat over studenten die tijdens de middelbare school te kampen hadden met gezondheidsklachten en zich hierdoor vaak buitengesloten voelden. Als de klachten in de studietijd terugkeren of verergeren, besluiten ze om hun problemen te relativeren en er niet met anderen over te praten. Ze willen geen zeurpiet of kneusje zijn.
In het laatste profiel blijkt hoe lastig het is voor studenten met een functiebeperking om onderscheid te kunnen maken tussen problemen die een gevolg zijn van hun beperkingen en klachten die verband houden met de studie. Veel studenten uit dit profiel zien hun studievoortgang als compensatie voor hun beperking, ze camoufleren hun klachten om het beeld van zichzelf als onafhankelijke student te benadrukken.
De auteurs laten met dit boek goed zien dat de beweegredenen om geen hulp te zoeken minder ondoorgrondelijk zijn dan ze in eerste instantie lijken. De door hen gekozen benadering helpt de lezer om studenten en hun overwegingen beter te begrijpen.
Drs. N. Looman is als studentenpsycholoog verbonden aan de universiteit van Tilburg en is psycholoog/ trainer in haar eigen praktijk Battal & Looman.