Samenvatting

Fear appeals and stigma

A. van Dongen, j. dane & L. Lemmers

(Former) clients of an addiction treatment center indicate that drug and alcohol education is too focused on knowledge transfer. It lacks a clear norm for substance use and a risk appeal. There are two reasons why this is not currently happening in education: a lack of clarity about the effects and a fear that risk appeals will lead to stigmatization of users. In the 1970s, destigmatization was a starting point in prevention policy. This has not always been the case. Historical research shows that stigmatization of people struggling with addiction took place as early as 1900. At that time, there was a wave of publishing of highly educational, anti-alcohol literature aimed at deterrence. This article describes the similarities and differences between prevention efforts and stigma in 1900 and today. The stigmas experienced today were brought to light through interviews with (former) clients. The results provide guidance on which stigmas contemporary prevention programs should take into account. (Former) clients also answer the question to what extent it is possible to warn in drug education without stigmatizing.


111 Weergaven
15 Downloads
Lees verder
Ruim een eeuw terug werd in de anti-alcoholische lectuur vooral negatief gesproken over alcoholisten. Zij werden bestempeld als zwakke mensen zonder wilskracht. Alex van Dongen, Jacques Dane en Lex Lemmers betogen dat er opvallend veel gelijkenissen zijn tussen alcoholpreventie begin twintigste eeuw en de huidige preventieprogramma’s. Wel is er, zo blijkt uit interviews met ex-cliënten, tegenwoordig meer aandacht voor de gevolgen van stigmatisering.

Een ‘ongemakkelijk’ gesprek

Het was toch even schrikken voor een preventiemedewerker van de Brabantse verslavingszorginstelling Novadic-Kentron, toen cliënten en ex-cliënten in een groepsgesprek in 2022 aangaven dat ze de huidige voorlichting op scholen over drugs te informatief vonden. Een cliënt zei: ‘Je krijgt in geuren en kleuren te horen wat de fijne effecten van cannabis zijn. Dit wekt interesse op en de risicoperceptie neemt af.’

Het was bekend dat er enige evidentie is dat drugsvoorlichting jongeren geïnteresseerd kan maken (Cuijpers et al., 2002). Het idee was dat interesse opwekken vooral een risico is voor jongeren die nog helemaal niet bezig zijn met drugs. De (ex-)cliënten gaven echter aan dat ze al wel interesse hadden in drugs, maar dat die door de toonvoering tijdens de voorlichting nog verder werd aangewakkerd. Dit verwijt is nieuw.

Volgens de (ex-)cliënten is feitelijke informatie niet effectief. ‘Maar hoe moet het dan wel?’, vroeg de gespreksleider.

Ook daarover waren zij duidelijk. Alleen drugsvoorlichting aan leerlingen die al gebruiken of duidelijk interesse tonen en dan niet alleen informatief, maar juist ook normatief. Bij alcohol en roken is een normatief kader veel meer gebruikelijk dan bij drugsvoorlichting. De norm is níet drinken onder de achttien en roken wordt te allen tijde afgekeurd. Dat geluid hoor je niet over drugs. De slogan ‘drugsgebruik is nooit zonder risico’s’ geeft volgens de (ex)-cliënten geen duidelijke grens aan. Daarnaast zou het accent tijdens de voorlichting meer moeten liggen bij keuzemomenten die tot veel ellende kunnen leiden en waarbij schrikbeelden juist kunnen helpen. Een ervaringsdeskundige voor de klas zou hiervoor de aangewezen persoon zijn, aldus de (ex)-cliënten.

In reactie hierop gaf de preventiemedewerker aan juist níet met schrikbeelden te werken, om te voorkomen dat voorlichting tot stigmatiseren zou leiden. Bovendien is het de vraag in hoeverre schrikbeelden preventief kunnen werken, lichtte hij toe. De (ex-)cliënten gaven hierop het antwoord: ‘Het is bijzonder dat de professionals voor ons bepalen wat stigmatiserend is. Kunnen we dat niet zelf bepalen?’ Ook gaven ze aan dat sommige schrikbeelden hen juist hadden geholpen: ‘Het schrikbeeld dat je na één keer heroïne gebruiken verslaafd bent en in de put raakt, heeft mij ervan weerhouden om ook dat middel uit te proberen.’

Drugsvoorlichting kan jongeren geïnteresseerd maken en de risicoperceptie verlagen

Het kwam eigenlijk als een verrassing dat uitgerekend (ex-)cliënten aangaven dat voorlichting een méér waarschuwend karakter mag hebben en dat ervaringsdeskundigen inzetten beter is, omdat zij meer aandacht hebben voor de destructieve kant van middelengebruik. Preventiewerkers vrezen dat schrikbeelden te veel angst opwekken en dat mensen zich daardoor afsluiten voor de boodschap. Ook zijn ze bevreesd dat gebruikers worden buitengesloten, omdat ze gebrandmerkt worden als onooglijk, onberekenbaar, onvoorspelbaar en gevaarlijk (De Haes & Schuurman, 1973). Hierdoor kunnen mensen zich gaan schamen, met als gevolg dat ze zorg mijden. Althans, dat is de veronderstelling.

Toch is ook onder preventiewerkers bekend dat van een schrikbeeld een preventieve werking kan uitgaan. Door verloedering, ziektes, overdoses en verslaving kreeg heroïne in de jaren tachtig van de vorige eeuw een zeer negatief imago. De populariteit onder jongeren nam snel af en er kwamen bijna geen nieuwe heroïnegebruikers meer bij (Jellinek, 2019). Meer recentelijk horen preventiewerkers in Brabant van jongeren dat hun interesse om met ghb en lachgas te experimenteren is afgenomen nadat deze middelen zo vaak negatief in de publiciteit zijn gekomen (Wijnstekers & De Hulster, 2022).1

Hoewel er dus ook onder preventiewerkers genuanceerd over het effect van waarschuwen wordt gedacht, klopt de constatering dat de voorlichting over drugs op scholen vanuit de verslavingspreventie informatief is en niet waarschuwend. Het feitelijke en neutrale karakter is te herleiden naar de jaren zeventig, waarin de basis werd gelegd voor de huidige verslavingspreventieprogramma’s in het onderwijs (Dane, 2022). In 1975 vonden de toenmalige consultatiebureaus voor alcohol en drugs (de huidige instellingen voor verslavingszorg), verenigd in de Federatie van instellingen voor de Zorg van Alcoholisten (fza), het nodig een aparte preventie-afdeling op te zetten (Van der Stel, 2019). Naast aandacht voor behandeling moest er meer ingezet worden op preventie. Het doel van deze afdeling was preventieprogramma’s te ontwikkelen die gebaseerd waren op wetenschap en onderzoek. Hiermee zou een einde moeten komen aan de wildgroei van preventieactiviteiten die door zeer diverse maatschappelijke groeperingen werden aangeboden en waarvan men sterk twijfelde aan de effectiviteit.2

In een notitie uit 1976 werden methodische richtlijnen geformuleerd voor alcohol- en drugsvoorlichting in het onderwijs: ‘Voorlichting op verbiedende toon met de vinger waarschuwend omhoog […] doet meer kwaad dan goed’ (Van Dalen, 1976). De feitelijke voorlichting moest jongeren helpen bij het maken van keuzes ten aanzien van alcohol en drugs. De psychiatrie en de verslavingszorg hadden in de jaren zeventig ook tot doel het stigma rond verslaving te doorbreken. Preventie-activiteiten mochten in ieder geval niet leiden tot stigmatisering van verslaving.

Het gesprek met de (ex-)cliënten stemt tot nadenken en behoeft een nadere analyse van de begrippen ‘stigmatisering’ en ‘waarschuwen’ als preventietechniek. Uiteraard is het mogelijk om tijdens drugsvoorlichting een duidelijke norm te hanteren en te waarschuwen voor de gevolgen van bepaalde keuzes. Dit kan ook zonder verbiedende toon en opgeheven vinger. Maar kan dit zonder daarbij te stigmatiseren?

Dit artikel belicht alcoholpreventie en jeugd rond 1900 en signaleert wat de parallellen zijn tussen preventieactiviteiten en stigma’s in de huidige tijd. Met deze vergelijking wordt getracht te leren van de geschiedenis en duidelijk te krijgen of waarschuwende drugsvoorlichting mogelijk is zonder te stigmatiseren.

Opkomst alcoholpreventie en het begrip ‘stigmatiseren’

Alcoholgebruik bestaat al sinds mensenheugenis, maar vele eeuwen waren er nauwelijks dagelijkse problemen door alcohol. Excessen bleven veelal beperkt tot jaarfeesten en kermissen. In de negentiende eeuw ontstonden voor het eerst omvangrijke verslavingsproblemen onder voornamelijk arbeiders. Ook werd het alcoholgebruik een probleem voor de openbare orde. Dit had meerdere oorzaken. Door machinale productie werd drank goedkoper. De lonen stegen, en omdat de arbeidsomstandigheden verslechterden, ontstond er een grotere behoefte aan verdoving (Alcoholwet, z.j.; Magdelyns, 2019; Van Hoof, z.j.; Isgeschiedenis, z.j.).

Omstreeks 1900 ontstond er een publicatiegolf van sterk opvoedkundige, anti-alcoholische literatuur. Veel van deze literatuur richtte zich op schoolgaande kinderen.3 De lesmethode Koning Alcohol (1905) van de Tilburgse onderwijsfrater Caecillius Dieks (1888-1926) werd behandeld in de hoogste klassen van de katholieke lagere scholen. Drinkers kregen een negatief imago aangemeten: ‘De mannen keren niet naar huis van hun werk maar gaan aan de drank, wat leidt tot vechtpartijen en echtelijke ruzies’ (Kox, 2014, 70). De frater maakte gebruik van negatieve stereotyperingen van drinkers.

Methodiek en opbouw

Voor dit artikel zijn bronnen over alcoholvoorlichting rond 1900 onderzocht, diepte-interviews afgenomen en vond een focusgroep plaats. De diepte-interviews zijn afgenomen onder 32 vrijwilligers van verslavingszorginstelling Novadic-Kentron dan wel (ex)-cliënten die vrijwilliger willen worden. Beide groepen worden in dit artikel aangeduid als ervaringsvrijwilligers. Zij hebben allemaal in hun leven te maken gehad met eigen verslavingsproblemen. De resultaten van de interviews zijn voorgelegd aan een focusgroep met ervaringsvrijwilligers.4

Allereerst wordt de opkomst van alcoholpreventie en de betekenis van stigmatiseren nader toegelicht. Daarna wordt bekeken welke parallellen er zijn tussen de preventieactiviteiten van vroeger en die van nu. Vervolgens is er aandacht voor activiteiten begin twintigste eeuw die mogelijk stigma’s in de hand hebben gewerkt. Daarna worden de resultaten van de interviews en de focusgroep beschreven om na te gaan welke stigma’s tegenwoordig worden ervaren. Ten slotte worden in de discussie de belangrijkste conclusies beschreven en de implicaties hiervan voor hedendaagse preventieprogramma’s in het onderwijs.

Stigmatiseren ontstaat als mensen de negatieve stereotyperingen en vooroordelen die over hun aandoening heersen op zichzelf betrekken of als anderen dit doen (Zelst, z.j.). Maar wat houdt het begrip stigmatiseren eigenlijk in?

Stigmatisering is een proces waarin een individu met een afwijkende conditie, of met afwijkend gedrag, als minderwaardig wordt gezien door anderen in de samenleving. Een individu met een bepaalde conditie wordt gelabeld en buitengesloten. Als gevolg daarvan kan iemand zijn of haar status verliezen en discriminatie ervaren. Stigmatisering kan ernstige gevolgen hebben, zoals een verminderde kwaliteit van leven en welbevinden. Ook is er sprake van een verminderd gevoel van eigen kracht en regie. Daarnaast kan stigmatisering een barrière vormen bij de zoektocht naar een baan, een woning en bij het aangaan van vriendschappen of intieme persoonlijke relaties. In bredere zin kan stigmatisering deelname aan de samenleving belemmeren (Van Boekel et al, 2016).

De psychiatrie en de verslavingszorg hadden in de jaren zeventig ook tot doel het stigma rond verslaving te doorbreken

Overigens leidt niet elke boodschap die een ontvanger niet graag hoort automatisch tot stigmatisering. Soms valt elkaar aanspreken op gedrag onder een vorm van sociale controle, waardoor mensen juist geneigd zijn zich te conformeren aan gewenste normen (Huygen & De Meere, 2008). Bij een stigma is het negatieve label evenwel zo krachtig dat het geen corrigerende werking meer heeft.

Parallellen preventieactiviteiten rond 1900 en tegenwoordig

In frater Dieks’ Koning alcohol – ‘leesboek voor de hoogste klassen der R.K. school’ – wordt op expliciete wijze voorlichting gegeven: ‘Niemand kan ontkennen dat het misbruik van drank, de laatste jaren vooral, verbazende afmetingen heeft aangenomen. […] Daarom behoort het tot de taak der school, deze kennis aan te kweeken en door een pakkend voorbeeld en eenvoudige leering de kinderen te waarschuwen tegen de nadeelige werking en de sterke verleiding van den Geesel onzer tijden: den Alcohol. Slechts eens per week zou ik voor het Lees-uurtje dit boek gebruiken: na het lezen der les volge een eenvoudige, korte en zaakkundige verklaring’ (Dieks, 1905, Inleiding).

In de laatste decennia van de negentiende eeuw ontstond een groot aantal drankbestrijdingsverenigingen, die per levensbeschouwelijke zuil waren georganiseerd. Onderdeel hiervan waren bijvoorbeeld de rooms-katholieke Matigheidsbonden voor kinderen. Katholieke alcoholpreventie was zowel regionaal als lokaal geregeld. Regionaal omdat alle bisdommen dezelfde lesboekjes gebruikten, zoals Koning Alcohol. En lokaal, omdat elke stad haar eigen activiteiten organiseerde.

Er is een overeenkomst tussen preventie rond 1900 en nu. Preventiewerkers door het hele land maken vandaag de dag gebruik van landelijke programma’s van het Trimbos-Instituut, zoals Helder op School, maar preventie wordt per centrumgemeente ingekocht. Hierdoor verschilt de preventie-inzet per stad. Ter illustratie wordt ingezoomd op de situatie in Tilburg tijdens de eerste decennia van de vorige eeuw.

In deze Brabantse stad bestonden Matigheidsbonden voor jongens en meisjes. Het belangrijkste leerdoel was dat kinderen zich tot hun zestiende jaar van sterke drank onthielden. Ook toen al was het credo ‘jong gewend is oud gedaan’ en werd er gebeden voor de bekering van de dronkaards: ‘Van alle onmatigheid, verlos ons Heer!’ De drankbestrijdingsverenigingen gaven ook tijdschriften uit. Tilburg had een vereniging met twee afdelingen: het Tilburgsch Kruisverbond (met geheelonthouders en ‘afschaffers’) en Sint Paulus (met ‘halfdaagsche afschaffers’). De Tilburgse drankbestrijdersvereniging gaf in een oplage van zevenduizend exemplaren het weekblad Onze Drankweer uit (Kox, 2016, 69).5

Er bestaat in Tilburg geen weekblad meer dat gericht is op alcoholmatiging. Enerzijds lijkt er in die zin begin twintigste eeuw meer aandacht te zijn voor preventie dan tegenwoordig. Anderzijds zijn er tegenwoordig wel verschillende digitale nieuwsbrieven en sites. Zo had Novadic-Kentron tot voor kort een gratis nieuwsbrief met meer dan tweeduizend abonnees.

In 1904 schrijft drankbestrijdingsvereniging Sint Paulus de volgende prijsvraag uit: ‘Welk zijn voor Tilburg de meest geschiktste middelen ter voorkoming en bestrijding van het drankmisbruik?’ De bekroonde inzendingen geven een beeld van de preventieactiviteiten waar begin twintigste eeuw waarde aan werd gehecht. Zo vond men het belangrijk in de media gezonde alternatieven voor het drinken te promoten: ‘Met die gewoonte wordt gebroken als den ingezetenen iets anders, iets beters dan den borrel wordt gegeven […] als men den drank wil wegnemen, men er iets anders voor in de plaats moet geven […] Ik wijs hierop tooneelvoorstellingen, muziekuitvoeringen in bondsgebouwen, op nuttige en populaire wetenschappelijke lezingen’ (Tilburgsche Courant, 10-07-1904).6

Figuur 1. OKO anno 2024 richt zich op de belangrijkste factoren in de leefomgeving van jongeren die het risico op middelengebruik verkleinen (beschermende factoren) of het risico vergroten (risicofactoren). Bron: Trimbos-Instituut

Ook werden er voor jongeren patronaten – rooms-katholieke instituten voor vorming en scholing – opgericht waar zij hun vermaak konden zoeken in plaats van in de kroeg. Het credo was dat jongeren plezier mogen hebben, maar ‘uitspanning mag geen uitspatting worden’. Ook rolmodellen werden ingezet onder het toenmalige motto ‘woorden wekken, maar voorbeelden trekken’ (Tilburgsche Courant, 10-07-1904).

Het zoeken naar alternatieve georganiseerde vrijetijdsbesteding en inzet van rolmodellen is ook een speerpunt in huidige preventieprogramma’s. Het doet denken aan het domein ‘vrije tijd’ in de preventieaanpak Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (oko). Deze aanpak is gebaseerd op de werkwijze van het IJslandse preventiemodel en richt zich op het voorkomen van alcohol-, drugs- en tabaksgebruik onder jongeren, door een veilige leefomgeving te creëren waarin kinderen gelukkig en gezond kunnen opgroeien. De aanpak richt zich op vier domeinen, namelijk school, gezin, peergroep en vrije tijd (zie figuur 1).7

Er lijkt in deze vier domeinen niets nieuws onder de zon. In de oko-aanpak worden ouders gestimuleerd hun kind te ondersteunen, samen tijd door te brengen, regels op te stellen en hierop te monitoren. Begin twintigste eeuw was er ook al ruim aandacht voor de thuissituatie. Zo werden met moeders afspraken gemaakt dat ze hun kinderen tot een bepaalde leeftijd geen drank zouden schenken: ‘Geformeerd door moeder, die zich verbinden hunne kinderen tot op zekeren leeftijd geen drank te schenken, zelfs geen bier of wijn.’ Ook werden huisbezoeken afgelegd, ouderavonden georganiseerd en werden ouders gewezen op het belang van een goede opvoeding. Samen tijd doorbrengen was zelfs een onderwerp: ‘Ontspanning zonder bedwelming…met gezellige uitvoeringen ook toegankelijk voor vrouwen en kinderen.’ Feestjes zonder toezicht waren ook uit den boze, de activiteiten waren onder toezicht van een ‘geestelijk adviseur’. Ten slotte was er aandacht voor alcoholmatiging in het onderwijs, waarbij zowel ouders als leerlingen over ‘de noodlottige werking van den alcohol’ onderwezen kregen (Tilburgsche Courant, 10-07-1904).

De focus van het alcoholbeleid van de afgelopen drie decennia is steeds meer verlegd van het individu naar de omgeving (Lemmers, 2023). Men spreekt in dat kader wel van de drie best buys van alcoholbeleid, namelijk het beperken van de beschikbaarheid, het verhogen van de prijs en het indammen van alcoholmarketing. Begin twintigste eeuw probeerde men de beschikbaarheid te beperken door geen drank toe te laten in fabrieken of werkplaatsen en herbergiers te vragen geen drank op krediet te tappen. Er was een vergunning nodig voor de verkoop van sterke drank en vanaf 1904 ook voor bier en wijn. Vanaf 1881 mocht geen sterke drank verkocht worden aan kinderen onder de zestien jaar en vanaf 1904 mochten zij ook niet meer in de horeca komen of werken zonder in gezelschap te zijn van een meerderjarige. Ook de accijnzen op gedestilleerd gingen omhoog. Voor het beperken van alcoholmarketing leek minder aandacht te zijn, daarbij in ogenschouw nemend dat er met de drankbestrijdingslectuur een goed werkende propagandamachine tegen alcohol bestond. Begin twintigste eeuw was er veel aandacht voor alcoholmatiging, waardoor de consumptie zienderogen afnam (Overijsselsch Dagblad, 05-08-1920).

Stigmatiseren begin twintigste eeuw

Maar hielden al deze preventieactiviteiten begin twintigste eeuw ook rekening met het risico op stigmatiseren? Ook toen al werden huisbezoeken afgelegd in kader van drankbestrijding. Persoonlijk bezoek was nuttig want ‘drinkers zijn niet slecht, het zijn slechts zwakke menschen’, zo luidde het adagium. Jezelf verlagen tot drinker was erg. Helemaal voor meisjes: ‘…arme meisjes […] waar zult gij leeren nette eerbare meisjes te blijven?’ (Tilburgsche Courant, 10-07-1904).

Onstandvastigheid en wilszwakte vindt men bij den alcoholist; daarom is het van zooveel belang de behandeling van den dronkaard lang voort te zetten

Ook was er aandacht voor de psychologische kant van het alcoholvraagstuk: ‘Onstandvastigheid en wilszwakte vindt men bij den alcoholist; daarom is het van zooveel belang de behandeling van den dronkaard lang voort te zetten. Is ’t lang gebruikt, dan blijft nog lang de gevoeligheid bestaan en is een kleine hoeveelheid voldoende om een genezen dronkaard zijn zelfbeheersching te doen verliezen […] ook komt men tot de conclusie dat uit alcoholistische ouders vele achterlijke idiote, epileptische kinderen geboren worden.’ Ten slotte werd gewaarschuwd voor de zedelijke schade van alcohol (en drugs): ‘Doch opium en alcohol doen niet alleen het lichaam schade. De opiumschuiver lijdt evenzeer als de alcoholist zedelijke schade. Zijn karakter gaat achteruit, misdadige neigingen worden in hem gewekt’ (Het Vaderland, 10-02-1912).

Kort samengevat: begin twintigste eeuw werd in de anti-alcoholische lectuur vooral negatief gesproken over alcoholisten. Zij werden bestempeld als zwakke mensen zonder wilskracht, bij wie ook nog eens misdadige neigingen ontstaan. Meisjes die dronken leken nog sterker veroordeeld te worden dan jongens en kinderen van verslaafde ouders kwamen vaak ‘beperkt’ ter wereld (Wattendorf et al, 2005).

Resultaten interviews over stigmatiseren

Waar lopen mensen die te maken hebben gehad met verslavingsproblemen tegenwoordig tegenaan? 32 ervaringsvrijwilligers van Novadic-Kentron zijn geïnterviewd over de positieve dan wel negatieve reacties die zij ervaren hebben op hun gebruik. Ook zijn zij bevraagd over eventuele verborgen stigma’s – stigma’s die onder cliënten leven, maar waarvoor nog weinig aandacht is. Er zijn open vragen gesteld. Hierdoor zijn er soms meer antwoorden gegeven dan dat er respondenten zijn.

Reacties op recreatief gebruik

Twaalf respondenten geven aan dat zij geen positieve en geen negatieve reacties kregen. Gebruik hoorde erbij, het werd normaal gevonden. Acht respondenten antwoorden dat zij alleen maar positieve reacties kregen op hun gebruik. Bijvoorbeeld: je bent onder invloed gezellig, grappig en wat knap dat je het gebruik tot de weekenden kunt beperken. Twee respondenten geven aan dat de omgeving positief reageerde, behalve hun bezorgde ouders. Ook kaart een respondent aan dat zijn ouders niet afwijzend reageerden toen er op dertienjarige leeftijd alcohol werd gedronken, maar wel toen er een jaar later ook drugs bij werden gebruikt. Vier respondenten geven aan dat het gebruik niet zozeer werd veroordeeld, maar dat er wel bezorgd op werd gereageerd. Bijvoorbeeld: pas op dat je niet afglijdt, houd jezelf onder controle et cetera. Twee respondenten geven aan dat er alleen negatief werd gereageerd, een omdat al het middelengebruik taboe is in de islamitische cultuur en een omdat er een taboe op recreatief heroïnegebruik bestaat. Ten slotte gaven drie respondenten aan geen idee te hebben hoe er op hun gebruik werd gereageerd.

Resumerend: de meeste respondenten geven aan geen hinder te hebben ervaren van negatieve reacties in de periode dat zij nog recreatief alcohol en/of drugs gebruikten.

Tabel 1. Top 5, stigma op verslaving

Welke stigma’s verdienen meer aandacht?

Aan de respondenten is gevraagd welke stigma’s volgens hen meer aandacht verdienen. Hierbij kan het zowel gaan over stigma’s die de respondenten zelf ervaren hebben als stigma’s die zij bij anderen zien.

Er worden 15 verschillende stigma’s benoemd. Tabel 1 laat de top 5 zien alsook het aantal maal dat het stigma werd benoemd: ‘(ex)-verslaafden zijn niet te vertrouwen’ (10); ‘verslaafden hebben geen ruggengraat/wilskracht’ (10); ‘eens verslaafd altijd verslaafd’ (8); ‘verslaving is je eigen schuld’ (5); ‘alleen domme mensen uit sociaal zwakkere milieus worden verslaafd’ (4).

De respondenten merken op dat de benoemde stigma’s zowel opgelegd worden door de samenleving als door henzelf (zelfstigma’s). Zelfstigma wil zeggen dat zij er zelf in zijn gaan geloven. Enkele respondenten gaven aan zich te herkennen in de stigma’s toen zij nog gebruikten; eenmaal weer nuchter herkenden zij zichzelf hierin niet meer. De stigma’s bleven echter aan hen kleven.

Het stigma ‘eens verslaafd altijd verslaafd’ is een vreemde eend in de bijt. Een deel van de respondenten is het namelijk ook in nuchtere toestand eens met deze bewering en vindt dit geen stigma. 

Reacties op verborgen stigma’s

Het stigma van een laag iq wordt aangemerkt als een verborgen stigma.8 Mensen schamen zich als uit een intelligentieonderzoek een lage score volgt. Aan de respondenten is gevraagd wat de voordelen zijn van het afnemen van een intelligentietest in de verslavingszorg. De volgende twee antwoorden zijn het vaakst gegeven: ‘er kan behandeling worden aangeboden op niveau’ (20) en ‘er zijn geen voordelen’ (6).

Ook is gevraagd naar de nadelen van een iq-test. Dit zijn allereerst schaamte, verlies van zelfvertrouwen, minder eigenwaarde, niet meer open durven te zijn (20). Zo gaf een respondent het antwoord: ‘Ik ben dus dom. Mensen gaan er naar handelen, gaan geen uitdaging meer aan, terugtrekken.’ Een andere respondent antwoordde: ‘Je benadert iemand vanuit het idee dat iemand licht verstandelijk beperkt is en kunt voorbijgaan aan de persoon zelf, wat maakt dat je aan krachten en talenten voorbij kunt gaan en je richt op problemen.’

Het tweede, meest gegeven antwoord: verkeerde behandeling, doordat allerlei factoren de uitslag van een iq-test negatief kunnen beïnvloeden (7). Enkele respondenten geven aan dat een lage iq-uitslag zelfs kan leiden tot een terugval, omdat het de grond onder je voeten doet wegzakken.

Vervolgens is nog gevraagd wat men kan doen aan het doorbreken van het stigma op een laag iq. De volgende twee antwoorden zijn het vaakst gegeven: meer nadruk leggen op iemands talenten in plaats van beperkingen (7) en door niet het woord laag te gebruiken, omdat dit een negatieve lading heeft. Enkele respondenten kwamen met de suggestie de iq-test een andere benaming te geven: ‘De iq-test anders noemen. Meer het idee van; waar zit je in je ontwikkeling, op welk niveau zit je zoals opleiding: in welke klas zit je. Daarmee geef je aan dat je nog moet leren om bij het volgende niveau te komen en sluit je niet uit dat dat niet meer mogelijk is. Daarmee houd je de deur open en gooi je de deur niet op slot.’

Ook vinden verschillende respondenten het afnemen van een iq-test overbodig. Zij zijn van mening dat een behandelaar die aandachtig luistert en goed doorvraagt voldoende zicht krijgt in de capaciteiten van de cliënt. Ook werd aangegeven dat een iq-test pas afgenomen mag worden als de cliënt aangeeft hier klaar voor te zijn en/of als resultaten tijdens een behandeling uitblijven.

Focusgroep

De resultaten uit de interviews zijn ter discussie voorgelegd aan een focusgroep van acht ervaringsvrijwilligers, de panelleden. Tijdens de discussie geven zij aan dat vooroordelen en stigma’s onterecht over één kam worden geschoren. ‘Als je elk vooroordeel ook een stigma noemt, dan worden de echte stigma’s minder serieus genomen.’

Als je elk vooroordeel ook een stigma noemt, dan worden de echte stigma’s minder serieus genomen

Volgens de panelleden bestaan er vooroordelen over recreatief gebruik, maar ze twijfelen eraan of recreatief gebruik ook leidt tot stigma’s. Bijvoorbeeld: ‘Iedereen op een dancefestival gebruikt drugs. Dan ga ik maar niet, want anders denkt men dat ik weer gebruik. Dit is een vervelend vooroordeel, maar het is geen stigma dat je in het dagelijks leven belemmert.’

Een panellid vindt dat in Nederland met een dubbele moraal naar gebruik wordt gekeken: ‘Recreatief gebruik is goed, maar verslaafd worden zou je eigen schuld zijn.’ Een ander panellid: ‘Er bestaan vooral positieve vooroordelen over recreatief gebruik! Iedereen die drinkt is gezellig, een bourgondiër, drugsgebruikers zijn progressief en grensverleggend.’

Iedereen is het erover eens dat de stigma’s over verslaving hardnekkig zijn. Ze geven aan dat deze stigma’s vaak pas ervaren worden als je abstinent bent. Onder invloed van middelen raakt het je minder of heb je het niet door.

Ook is besproken hoe stigma’s doorbroken kunnen worden. Panelleden geven aan dat je ook binnen de hulpverlening soms het gevoel krijgt dat je geen gelijkwaardige gesprekspartner bent. Daarom is het voor hulpverleners van belang hun cliënten als gelijkwaardige gesprekspartners te behandelen en niet op basis van medelijden of superioriteit. Van je hulpverleners mag je ook verwachten dat het onderwerp (zelf-)stigma bespreekbaar wordt gemaakt.

Uit onderzoek blijkt dat de houding van burgers over verslaving vaak negatiever is dan bij andere psychische aandoeningen, zoals bij een depressie of angstproblematiek. Dit komt door het stigma: verslaving wordt gezien als een morele zwakte en is daarmee eigen schuld. Volgens de panelleden kan dit stigma doorbroken worden door de verslaafde beter uit te leggen dat je ook veel doorzettingsvermogen nodig hebt om te blijven gebruiken.

De meeste panelleden geven aan dat ze er meer moeite mee zouden hebben om tegen een vreemde groep te zeggen dat ze een Licht Verstandelijke Beperking (lvb) hebben dan aan te geven dat ze verslaafd zijn of zijn geweest. Twee andere panelleden zien dit juist andersom, omdat je van lvb niet de schuld kunt krijgen.

Ook is aan de panelleden gevraagd hoe zij het ervaren hebben als mensen hen aanspraken op hun gebruik. Zij geven aan dat er een corrigerende werking kan uitgaan van het vermanend aanspreken op beginnend gebruik: ‘Het hielp mij vroeger om niet dronken te worden.’ Er wordt echter ook aangegeven dat er geen corrigerende werking meer is op het moment dat verslavingsproblemen hardnekkig worden.

Tot slot is aan de panelleden gevraagd wat zij ervan vinden als gebruikers gewezen worden op de maatschappelijke gevolgen van middelengebruik. Ze hebben hier geen moeite mee: ‘Iemand mag altijd gewezen worden op de maatschappelijke gevolgen van gebruik, zoals het milieu of criminaliteit. Het is te ver gezocht dat iemand zich hierdoor dermate gaat schamen dat er geen hulp meer gevraagd wordt. Het werkt eerder andersom, dat het juist motiveert om hulp te vragen.’

De focusgroep vond plaats voordat de Rotterdamse campagne ‘Niks party aan partydrugs’ was gelanceerd tegen druggerelateerd geweld. Deze campagne richt zich op gebruikers van drugs. Er is kritiek vanuit onder meer de belangenvereniging drugsgebruikers (mdhg) op de campagne omdat het schuldgevoelens zou aanwakkeren in plaats van bewustwording dat het gebruik van illegale drugs grote gevolgen heeft voor maatschappij en natuur. Dientengevolge is het de vraag of de deelnemers van de focusgroep ook de toonvoering van deze campagne motiverend vinden.

Volgens de ervaringsvrijwilligers is waarschuwende voorlichting mogelijk zonder te stigmatiseren, mits er niet wordt gewaarschuwd voor de gebruiker, maar voor de gevolgen van het gebruik. Tijdens deze voorlichting is er volgens hen zelfs ruimte voor destigmatisering. Zo kun je uitleggen (waarschuwen) dat recreatief drugsgebruik niet voor iedereen mogelijk is en dat dit niet met wilskracht heeft te maken, maar met het gegeven dat verslaving een hersenziekte is (Jellinek, 2019A).

Ervaringsdeskundigen zijn volgens hen de aangewezen personen om deze voorlichting te geven. Uit eigen ervaring weten zij dat een gebrek aan grenzen stellen het (beginnende) gebruik negatief beïnvloedde en dat een gebrek aan begrip, toen zij eenmaal kampten met verslavingsproblemen, leidde tot stigmatisering en veel ellende.

Discussie

Er zijn opvallend veel gelijkenissen tussen alcoholpreventie uit het begin van de twintigste eeuw en de huidige preventieprogramma’s. Het valt op dat men zich zowel vroeger als nu op min of meer dezelfde risico- en beschermingsfactoren richt. Het belangrijkste verschil lijkt dat men tegenwoordig vooral spreekt over de macht van de alcoholmarketing, begin twintigste eeuw ging het over het succes van de drankbestrijdingslectuur. Rond 1900 werden mensen die kampten met verslavingsproblemen in zowel de journalistiek als in opvoedkundige anti-alcoholische literatuur zonder gêne weggezet als zwakke mensen zonder wilskracht, bij wie ook nog eens misdadige neigingen konden ontstaan. Tegenwoordig is er meer aandacht voor de gevolgen van stigmatisering en kom je dergelijke uitingen in de landelijke preventieprogramma’s niet meer tegen.

Voor een hosannastemming is echter geen reden. In sociale media en bepaalde publieksbladen wordt bijvoorbeeld nog altijd het woord ‘junkies’ gebruikt. Misschien is het dan ook niet verwonderlijk dat tegenwoordig nog steeds dezelfde stigma’s worden genoemd als een eeuw geleden. Het valt op dat begin twintigste eeuw een moreel oordeel werd uitgesproken over verslaafden, maar niet over recreatieve consumenten. Dit wordt nog steeds zo ervaren door de ondervraagde ervaringsvrijwilligers.

Het is opvallend dat een groot stigma lijkt te heersen op het hebben van een licht verstandelijke beperking, ondanks dat er nauwelijks aandacht voor lijkt te zijn. Het afnemen van een iq-test kan behulpzaam zijn. Het is een uitdaging een goede middenweg te vinden in enerzijds het functioneel inzetten van de iq-test en anderzijds aandacht hebben voor de keerzijde hiervan. Dit mag echter geen reden zijn om hier geen beleid op te maken en nog eens kritisch te kijken naar de balans tussen de verwachte baten en lasten. Ook in preventieprogramma’s is aandacht voor stigmatisering gewenst.

Bij verslaving slaat de motivatie om te gebruiken om van gebruiken voor plezier naar gebruik om dysforie tegen te gaan. Het effect op korte termijn is verlichting van die dysforie. De klachten verminderen door het middelengebruik op korte termijn, maar worden op middellange en lange termijn vergroot. Er ontstaat een neerwaartse spiraal. Door het gebruik treden belangrijke veranderingen op in de prefrontale cortex. Hierdoor ontstaat de paradoxale situatie dat mensen oprecht willen stoppen met hun gebruik, maar geen weerstand kunnen bieden aan prikkels die hiertoe aanzetten.9 Dit is in een notendop hoe een verslaving ontstaat. Dit in ogenschouw nemend is het schrijnend te noemen dat verschillende ervaringsvrijwilligers aangeven dat begrenzing hen geholpen zou hebben toen ze nog recreatief gebruikten, maar dat ze zich toen in hun middelengebruik voelden aangemoedigd. Toen ze verslaafd waren had begrip geholpen, maar toen werden ze juist veroordeeld. Preventieprogramma’s mogen ook voor deze paradox oog hebben.

Ten slotte zijn de ervaringsvrijwilligers van mening dat het stellen van een duidelijke norm tijdens voorlichting meerwaarde heeft. Evenals het waarschuwen voor de gevolgen van bepaalde keuzemomenten. Volgens hen kan dit zonder te stigmatiseren, zolang er niet wordt gewaarschuwd voor de gebruiker, maar voor de gevolgen van het gebruik. De ervaren stigma’s hebben dan ook betrekking op veronderstelde eigenschappen van de gebruiker en niet op gevolgen van het gebruik. De eindconclusie is dat waarschuwende voorlichting volgens de ervaringsvrijwilligers mogelijk is zonder te stigmatiseren.

Bronnen

  1. Zie bijvoorbeeld de serie Tygo in de ghb, een ‘ontdekkingsreis’ over ghb uitgezonden in 2019 door de eo: https://npo.nl/npo3/tygo-in-de-ghb/VPWON_1290746
  2. Voor een overzicht van deze activiteiten, zie: Inventarisatie over voorlichting, onderzoek, hulpverlening, commissies, literatuur, sociale akties betreffende drugs en druggebruik (1972). Nederlandse Rode Kruis: Den Haag.
  3. Zie voor onderwijs en alcoholvoorlichting omstreeks 1900, en dan met name de rol van de onderwijsinspectie, Dane (2020).
  4. Met dank aan Denise van den Oosterkamp voor de hulp bij het afnemen van de interviews.
  5. Onthouding is nog altijd een doel van hedendaagse preventieprogramma’s. Echter niet uitsluitend van sterke drank maar van alle alcoholische versnaperingen en tot achttien in plaats van zestien jaar. De de NIX18 campagne is hier een voorbeeld van.
  6. Voor dit artikel is media-onderzoek verricht met behulp van Delpher, een website van de Koninklijke Bibliotheek (kb) met gedigitaliseerde historische Nederlandse kranten, boeken, tijdschriften en radiobulletins uit bibliotheken, musea en andere erfgoedinstellingen. Zie: https://www.delpher.nl/
  7. https://www.trimbos.nl/aanbod/opgroeien-in-een-kansrijke-­omgeving/over-opgroeien-in-een-kansrijke-omgeving/
  8. Novadic-Kentron maakt gebruik van de wais-iv-nl, een intelligentietest waarmee het intellectueel functioneren bij volwassenen (vanaf 18 jaar) in kaart wordt gebracht. Deze test meet een totaal iq, maar verdeelt het ook onder in verschillende indices, namelijk Verbaal begrip (verbale, schoolse kennis), Performaal Redeneren (probleemoplossend vermogen, inzicht en overzicht creëren, praktisch denken), Werkgeheugen (het kortetermijngeheugen, waarbij informatie kort wordt opgeslagen om ermee te werken) en de Verwerkingssnelheid (in welk tempo kan men relatief simpele taken aanpakken). Voor interpretatie wordt het chc-model gebruikt: de chc maakt een nauwgezet onderscheid tussen verschillende vaardigheden. Er wordt ook gebruikgemaakt van (non-verbale) intelligentietesten, zoals bijvoorbeeld de raven of de kait. Daarnaast wordt intelligentie nooit met een enkele intelligentietest gemeten: er wordt ook gekeken naar iemands alledaagse, adaptieve vaardigheden. Dit betreft dus meer het alledaagse functioneren en in welke mate iemand dit zelfstandig kan. Het komt voor dat een cliënt een prima intelligentiescore heeft, maar vastloopt op taken als zelfstandig het huishouden onderhouden, risico’s inschatten of financiële taken volbrengen. Zo kan beter bepaald worden op welke (dagelijkse) gebieden iemand hulp nodig heeft.
  9. Samenvatting gebaseerd op presentatie Harmen Beurmanjer, Verslaving voor Preventiewerkers, 2 juli 2019, Vught.

Correspondentie over dit artikel via Alex van Dongen: alex.van.dongen@novadic-kentron.nl.

Literatuurlijst

  1. Ashton, M. (1999). The danger of warnings. Drug and Alcohol Findings, issue 1, 22-24.
  2. Boekel, L.C. van &  Evelien P.M. Brouwers, Henk F.L. Garretsen, Jaap van Weeghel (2016). Onderzoek naar stigmatisering van mensen met een alcohol- of drugsverslaving. Verslaving. Tijdschrift over verslavingsproblematiek (12), 124-131. DOI 10.1007/s12501-016-0062-1
  3. Brehm J. W. & S.S. Brehm (1981). Psychological reactance – a theory of freedom and control. New York, NY: Academic Press.
  4. Cuijpers, P., et al. (2002). The effects of drug abuse prevention at school: the ‘Healthy School and drugs’ project. Addiction, 97(1), 67-73.
  5. Dalen, W.A. van (1976). Het is geen kleinigheid. Utrecht: NCA.
  6. Dane, J. (2020). Pedagoog Zernike zou het wel weten. Didactief – opinie en onderzoek voor de schoolpraktijk 50/nr. 9, 9. (Webversie: https://didactiefonline.nl/blog/jacques-dane/zernike-zou-het-wel-weten).
  7. Dane, J. (2022). Drugs. Didactief – opinie en onderzoek voor de schoolpraktijk 52/nr. 9, 45. (Webversie: https://didactiefonline.nl/blog/jacques-dane/drugscriminelen-op-het-schoolplein).
  8. Diek, C.H.M. (1905). Koning Alcohol. Leesboek voor de hoogste klassen der R.K. School. Tilburg/Amsterdam: R.K. Jongensweeshuis/F.H.J. Bekker.
  9. Haes, W. de, & J. Schuurman (1973). ‘Resultaten van het Rotterdamse drugsvoorlichtingsproject’. Tijdschrift voor sociale geneeskunde, 53, 394-410.
  10. Hoof, T. van (z.j.). Drankbestrijding – Drankconsumptie en drankbestrijding in crisistijd (1929-1939) [Website: DC (noviomagus.nl)].
  11. Huygen, A. & F. de Meere (2008). De invloed en effecten van sociale samenhang Verslag van een literatuurverkenning. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
  12. Isgeschiedenis (z.j.) Geschiedenis van alcoholwetgeving | IsGeschiedenis. [https://isgeschiedenis.nl/nieuws/geschiedenis-van-alcoholwetgeving]
  13. Jellinek (2019). Wat is de geschiedenis van heroïne? – Jellinek (Website: https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/wat-is-de-geschiedenis-van-heroine).
  14. Jellinek (2019A). Waarom is verslaving een hersenziekte? [Website: https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/waarom-is-verslaving-een-hersenziekte/].
  15. Kox, T. (2014). ‘Koning Alcohol.’ De strijd van een Tilburgse frater tegen alcoholmisbruik. Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 32, nr. 3, 68-72.
  16. Lemmers, L. (2023). 30 jaar alcoholbeleid jongeren: van focus op het individu naar de omgeving. [Website Trimbos Instituut].
  17. Magdelyns, F. (2019). Het drankprobleem van de 19e eeuw. [Website: https://www.oudhouten.nl/].
  18. Stel, J. van der (2019). 1975 Bob van Amerongen begint als preventiewerker – Canon Sociaal werk Nederland, Details. Website Canon Sociaal Werk Nederland [https://www.canonsociaalwerk.eu/nl/index.php].
  19. Stel, J. van der (2012). Succes drankbestrijding komt niet meer terug. Een essay. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen Online 90, 451-455. Drankbestrijding zal nooit meer zo succesvol zijn | TSG – Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen (springer.com).
  20. Strang, J. & T. Babor, J. Caulkins, J. et al (2012). Drug policy and the public good: evidence for effective interventions. The Lancet, 7;379(9810), 71-83. DOI:https://doi.org/10.1016/S0140-6736(11)61674-7.
  21. Tannebaum, M.B., J. Hepler, R.S. Zimmerman, R.S. (2015). Appealing to fear: A Meta-Analysis of Fear Appeal Effectiveness and Theories. Psychological Bulletin, 141(6), 1178-1204.
  22. Trimbos (z.j.). De geschiedenis van de alcoholwet. [Website: https://www.trimbos.nl/].
  23. Wattendorf, D.J. et al (2005). Fetal Alcohol Spectrum Disorders. American Family Physician. July 15, 72/nr. 2, 3279-285.
  24. Wijnstekers, M. & D. de Hulster (2022). Kim (24) verslond de ene na de andere lachgastank, nu zit ze in een rolstoel: ‘Ik heb heel veel gehuild’ | Gezond | bndestem.nl. BN De stem, 30-12-2022.
  25. Zelst, C. van (z.j.). Laat het stigma niet overheersen. [Website: https://www.mijngezondheidsgids.nl/neurologie/psychiatrie/laat-stigma-niet-overheersen/].