Samenvatting

The science of repressed and false memories

H. Otgaar, R. Horselenberg, E. Rassin, I. Wessel, M. Jelicic, A. Vredeveldt en P. van Koppen

The question how traumatic experiences, such as sexual abuse, are remembered belongs to one of the most contested debates in psychological science. The core thread of this debate is whether traumatic experiences can be unconsciously repressed. Although discussions surrounding repression started in the nineties because of – amongst others – legal cases. Otgaar and colleagues show that the debate rages on today. For example, a high percentage of individuals such as clinical psychologists still believe in repression and repression continues to exert a prominent infl uence in legal cases. As long as this debate continues, chances exist that therapists and clients will search for unconscious traumatic memories, potentially leading to false accusations and even wrongful convictions.


577 Weergaven
82 Downloads
Lees verder
De vraag hoe traumatische ervaringen, zoals seksueel misbruik, worden herinnerd, behoort tot een van de meest verhitte debatten in de psychologie. Het gaat dan met name om de kwestie van verdringing en/of traumatische ervaringen onbewust kunnen worden opgeslagen. Henry Otgaar c.s. laten zien dat het debat hierover aan een stevige opmars bezig is. Aannemen dat verdringing bestaat, kan bijdragen aan het ontstaan van pseudo-herinneringen die tot valse beschuldigingen en onterechte veroordelingen kunnen leiden.

Simone had last van depressieve klachten en zij onderging om die reden psychotherapie. Na een aantal gesprekken had de therapeut de indruk dat er iets ernstigs met haar gebeurd moest zijn, maar dat zij daar vanwege de pijnlijke aard van die gebeurtenis geen herinnering aan had. De therapeut stelde voor om gebruik te maken van hypnose. Na meerdere jaren therapie te hebben gevolgd begon Simone zich te herinneren dat onder anderen haar ouders haar ritueel misbruikt hadden. Vanwege haar hervonden herinnering verbrak ze het contact met haar ouders.1

In de casus van Simone speelt de vraag hoe traumatische ervaringen, zoals seksueel misbruik, worden herinnerd. Dat onderwerp is onderdeel van een van de meest verhitte debatten die ooit in de psychologie zijn gevoerd (Brewin et al., 2021; Otgaar et al., 2019). Het gaat om de kwestie of herinneringen aan traumatische gebeurtenissen op een onbewust niveau kunnen worden opgeslagen en op een later moment op accurate wijze kunnen worden hervonden. In Nederland is recentelijk veel ophef ontstaan rondom deze kwestie. Zo is de suggestie gewekt dat sommige wetenschappers in hun publiekelijke uitlatingen vooral claimen dat hervonden herinneringen fictieve herinneringen zijn en gaan zij niet in op de vraag of hervonden herinneringen ook authentiek kunnen zijn (bijv. Jaspers, 2021).

Deze discussie is terug te voeren op het debat over verdringing en hervonden herinneringen dat zich afspeelde in de jaren negentig van de vorige eeuw (Loftus, 1994). Dat debat werd vooral aangewakkerd door rechtszaken waarin het dikwijls ging om mensen die leden aan allerhande psychische klachten, zoals moedeloosheid en paniekaanvallen, en daarvoor psychologische hulp zochten. Bij therapeutische interventies werd gesuggereerd dat zulke klachten het gevolg waren van verdrongen herinneringen aan seksueel misbruik. Het idee was dat zulke herinneringen vanwege hun traumatische karakter waren verdrongen: de betrokkene had op bewust niveau geen kennis van het misbruik, maar op onbewust niveau zorgden de herinneringen voor allerlei klachten. Therapeuten gingen op zoek naar zulke herinneringen door gebruik te maken van suggestieve technieken zoals hypnose. Uiteindelijk hervonden patiënten herinneringen aan seksueel misbruik die ze voorafgaand aan de therapie niet hadden.

Geheugenonderzoekers betoogden echter dat er vraagtekens bij de hervonden herinneringen konden worden geplaatst: de suggestieve werking van bepaalde therapeutische technieken zou ertoe kunnen hebben geleid dat herinneringen aan niet-meegemaakte gebeurtenissen werden gecreëerd, ook wel pseudo-herinneringen of valse herinneringen genoemd (Otgaar et al., 2021). Het nefaste effect van zulke herinneringen was dat soms juridische stappen werden genomen waardoor onschuldige mensen valselijk werden beschuldigd en bijgeval onterecht werden veroordeeld.

Verdrongen herinneringen zouden tot allerlei psychische en lichamelijke schade kunnen leiden, zoals depressieve klachten of angststoornissen

Het debat over het bestaan van verdringing wordt ook wel aangeduid als de Memory Wars (Crews, 1995). Tot voor kort werd aangenomen dat het debat zo goed als afgedaan was (Barden, 2016; McHugh, 2003; Paris, 2012). In dit artikel betogen we dat het debat nooit is weggeweest, maar in een andere gedaante heeft voortgesmeuld en dat het er nu sterk op lijkt dat er een opleving gaande is (McNally, in druk; Patihis et al., 2014; Otgaar et al., 2019). We bespreken wat de wetenschap ons leert over het bestaan van onbewust trauma en pseudo-herinneringen. Verder zullen we laten zien dat het debat gevoerd wordt in de academische, klinische, en juridische context.

Wat is verdringing?

Inzet van het debat in de jaren negentig van de vorige eeuw was dus de vraag of verdringing bestaat. Het concept verdringing heeft zijn wortels in de psychoanalytische tradities van Sigmund Freud, zijn dochter Anna Freud, en zijn tijdgenoten, zoals Pierre Janet (Ellenberger, 1970; Erdelyi, 2006). Het idee achter verdringing is dat traumatische ervaringen voor mensen zo overweldigend zijn dat zij psychologische verdedigingsmechanismen hanteren om met het trauma om te gaan. Eén daarvan is verdringing.

Verdringing verwijst naar de opvatting dat traumatische ervaringen onbewust worden weggedrukt en dan niet meer toegankelijk zijn voor bewuste introspectie. Verdrongen herinneringen aan traumatische ervaringen kunnen jarenlang een sluimerend bestaan leiden, aldus de theorie. Als ze worden hervonden, dan zijn de traumatische herinneringen in overeenstemming met wat er plaats heeft gevonden (Loftus, 1993; McNally, 2005; Piper et al., 2008). Verder zouden verdrongen herinneringen tot allerlei psychische en lichamelijke schade kunnen leiden, zoals depressieve klachten of angststoornissen (McNally, 2005). Om deze klachten te verhelpen, zouden de onbewuste traumatische herinneringen bewust moeten worden gemaakt.

Ten tijde van het debat over het bestaan van verdringing gingen verschillende therapeuten met hun patiënten op zoek naar verdrongen herinneringen aan misbruik. Diverse aspecifieke en vage symptomen van patiënten die geen herinnering aan misbruik hadden, werden gezien als bewijs voor verdrongen trauma dat moest worden opgespoord. In die tijd maakten therapeuten gebruik van sterk suggestieve technieken als bijvoorbeeld hypnose, droominterpretatie en geleide imaginatie. Het resultaat was dat sommige patiënten herinneringen kregen aan seksueel misbruik die ze daarvoor niet hadden. De herinneringen werden zo in therapie gevonden in plaats van hervonden. In enkele gevallen beschuldigden patiënten familieleden en begonnen een civiele zaak of deden aangifte (Loftus & Ketcham, 1994).

Het probleem met verdringing is dat het bestaan ervan moeilijk te bewijzen is. Ook al krijgt iemand herinneringen aan misbruik in therapie, wil dat nog niet zeggen dat die herinneringen eerder verdrongen waren. Er zijn andere verklaringen voor het opduiken van nieuwe herinneringen in het bewustzijn. Zo heeft wetenschappelijk onderzoek laten zien dat pseudo-herinneringen aan fictieve gebeurtenissen relatief eenvoudig kunnen worden opgewekt (bijv. Loftus & Pickrell, 1995). Buiten de mogelijkheid dat hervonden herinneringen pseudo-herinneringen kunnen zijn, ontbreekt wetenschappelijke ondersteuning voor het fenomeen van verdringing (zie hieronder).

Alternatieve verklaringen voor verdringing, onbewuste, en hervonden herinneringen

Het idee van verdringing staat haaks op onderzoek dat laat zien dat traumatische ervaringen juist goed beklijven in het geheugen (bijv. Goldfarb et al., 2018; Kensinger & Ford, 2021; McKinnon et al., 2014). Zo onderzochten de Nederlandse psychologen Wagenaar en Groeneweg (1991) de herinneringen van overlevenden aan de tijd dat ze gevangen zaten in concentratiekampen van de nazi’s. Hun belangrijkste conclusie was dat de betrokkenen zich die verschrikkelijke ervaringen over het algemeen juist goed herinneren. Sommige respondenten waren gebeurtenissen veertig jaar na dato vergeten, terwijl ze die gebeurtenissen wel hadden gerapporteerd vlak na de oorlog. Maar dit vergeten werd door de auteurs niet betiteld als verdringing. Sterker: dat respondenten sommige gruwelijke details kwijt waren na veertig jaar, maar die zich wel hadden herinnerd in de jaren vlak na de oorlog, duidt eerder op ‘normaal vergeten’ dan op verdringing. Als er sprake was geweest van verdringing dan zouden zij deze gebeurtenissen ook kort na de oorlog kwijt zijn geweest (zie ook Merckelbach et al., 2003). Het is immers één ding om gebeurtenissen – ook verschrikkelijke gebeurtenissen – te vergeten onder invloed van het verstrijken van de tijd (Schacter, 1999), maar iets anders om te veronderstellen dat de menselijke psyche is uitgerust met een complexe module om desgewenst te vergeten (Wegner et al., 1987).

Een andere reden waarom slachtoffers soms een tijdlang niet over misbruik praten is niet dat ze het zijn vergeten, maar dat ze er niet over willen praten (Goodman-Brown et al., 2003). Zo zijn er diverse redenen waarom slachtoffers van seksueel misbruik niets willen vertellen over hun misbruikervaringen. Ze schamen zich bijvoorbeeld dat het misbruik zich bij hen heeft afgespeeld, worden door de daders bedreigd om niets over de incidenten prijs te geven, of ze voelen zich medeverantwoordelijk voor wat er met hen is gebeurd.

Een reden waarom slachtoffers soms lang niet over misbruik praten is niet dat ze het zijn vergeten, maar dat ze er niet over willen praten

Ook willen slachtoffers niets liever dan hun misbruikervaringen vergeten. Onderzoek suggereert bijvoorbeeld dat doelbewust willen vergeten het geheugen kan ondermijnen (Anderson & Hulbert, 2020). Een bekende onderzoeksmethode is het Think/No Think-paradigma (Anderson & Hulbert, 2020; Anderson & Green, 2001). In dat paradigma moeten proefpersonen bijvoorbeeld woordparen leren als ‘tattoo– oom’ en ‘vlecht–pop’. Daarna ontvangen proefpersonen woorden (zoals tattoo) en dienen ze met het gepaarde woord te komen. Bij andere woorden (zoals vlecht) worden ze echter geïnstrueerd om absoluut niet aan het gepaarde woord te denken. Als ze vervolgens moeten vertellen welke woorden ze nog kunnen herinneren, rapporteren ze minder woorden die ‘vergeten’ dienden te worden dan woorden waaraan wel gedacht mocht worden.

Die bevinding biedt echter geen argument dat verdringing werkelijk bestaat. Daar is een aantal redenen voor. Allereerst heeft het onderzoek niet laten zien dat gehele autobiografische herinneringen doelbewust vergeten kunnen worden (Otgaar et al., 2019). Ten tweede wordt het effect niet consequent bij elke analyse gevonden. Met name het bewijs voor een interpretatie van de vergeeteffecten in termen van een verminderde beschikbaarheid van herinneringen is schamel (Wessel et al., 2020). Ten slotte laat veel onderzoek zien dat emotionele herinneringen juist moeilijker kunnen worden vergeten dan herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen (Hall et al., 2021).

Een andere alternatieve verklaring voor herinneringen die hervonden lijken te zijn, is dat slachtoffers van seksueel misbruik de ervaring hebben geherinterpreteerd (bijv. Raymaekers et al., 2012). Daarmee wordt bedoeld dat op het moment het slachtoffer werd misbruikt, de gebeurtenis niet als traumatisch werd ervaren. Wanneer jaren later wordt teruggeblikt op de ervaring, krijgt die een emotionele lading omdat het slachtoffer inziet dat de gebeurtenis verwijst naar een traumatische ervaring (zie ook Patihis et al., 2019). Voor een slachtoffer lijkt het alsof de traumatisch herinnering er nooit is geweest (en dus is verdrongen), maar in werkelijkheid is een bestaande herinnering opnieuw geduid.

Ondanks het feit dat enige wetenschappelijke ondersteuning voor verdringing ontbreekt, is de opvatting dat herinneringen aan traumatische ervaringen onbewust hun invloed kunnen uitoefenen op gedrag en symptomen niet uit de gratie geraakt. Integendeel: er zijn sterke aanwijzingen dat het debat over verdringing volledig is teruggekeerd (zie voor een overzicht Otgaar et al., 2019). Die aanwijzingen bespreken we nu.

De heropleving van de verdringing

Er zijn verschillende indicaties dat het debat over verdringing aan een opmars bezig is. Hier hebben we ze onder- verdeeld in verschillende secties, namelijk 1) het geloof in verdringing, 2) dissociatieve amnesie is verdrongen herinnering, 3) pseudo-herinneringen aan autobiografische ervaringen, 4) therapie en het geheugen, 5) hervonden herinneringen, en 6) verdringing in de rechtbank en daarbuiten.

Het geloof in verdringing

In enquêtes hebben onderzoekers verschillende groepen, zoals studenten, klinisch psychologen en rechters, gevraagd in welke mate ze in verdringing geloven. Zulk enquêteonderzoek werd als eerste verricht in de jaren negentig, maar wordt met enige regelmaat uitgevoerd. Zo vonden de Nederlandse psychologen Merckelbach en Wessel (1999) in hun enquête dat 96% (n = 25) van psychotherapeuten destijds in verdringing geloofde. De Amerikaanse onderzoekers Poole en collega’s (1995) vonden dat 71% (n = 37) van hun groep van klinische psychologen minstens één geval van een hervonden herinnering in hun praktijk hadden gezien.

Het is opmerkelijk dat de kenmerken en criteria van de stoornis dissociatieve amnesie naadloos overeenkomen met die van verdringing

Recenter onderzoek laat soortgelijke percentages zien. Uit onderzoek van de Amerikaanse onderzoekers Patihis et al. (2014) bleek dat 60,3% (n = 35) van klinische psychologen het idee had dat traumatische herinneringen vaak worden verdrongen. De Nederlandse onderzoekers Houben c.s. bevroegen therapeuten die gebruikmaken van Eye Movement and Desensitization Reprocessing (EMDR) en vonden dat 70,7% (n = 29) van hen gelooft dat traumatische ervaringen onbewust kunnen worden geblokkeerd.

Wij hebben recentelijk alle enquêtestudies op een rij gezet en vonden dat gemiddeld gezien 58% (n = 4745) van de ondervraagden geloofde in verdringing (Otgaar et al., 2019). Voor klinisch psychologen was dat percentage in de jaren negentig 61% (n = 719) en dat steeg naar 76% (n = 1586) in de jaren 2010 en verder. Die percentages laten zien dat het geloof in verdringing diep verankerd is in deze beroepsgroep. Dat is zorgwekkend. Als klinisch psychologen sterk geloven in verdringing, kunnen ze immers juist in hun praktijk suggestieve acties ondernemen om te proberen verdrongen herinneringen aan de oppervlakte te brengen.

Dissociatieve amnesie= Verdrongen herinnering

In de DSM-5 wordt dissociatieve amnesie beschouwd als een stoornis van het geheugen (American Psychiatric Association, 2013). Het is opmerkelijk dat de kenmerken en criteria van de stoornis dissociatieve amnesie naadloos overeenkomen met die van verdringing. Zo gaat het bij dissociatieve amnesie om een ‘onvermogen’ om zich ‘belangrijke autobiografische informatie te herinneren’ dat voornamelijk door stressvolle en psychotraumatische gebeurtenissen worden veroorzaakt. De gelijkenissen zijn zo treffend dat de kritiek op verdringing evenzo geldt voor dissociatieve amnesie.

De rechtspsychologen Mangiulli en collega’s (in druk) hebben daarom recentelijk een overzicht gemaakt van alle gepubliceerde casuïstiek over dissociatieve amnesie. Zestig artikelen werden opgespoord die 128 casussen bevatten over dissociatieve amnesie. Er werd onderzocht of de casussen overeenkwamen met de DSM-5 criteria en of alternatieve verklaringen werden onderzocht voor het geclaimde geheugenverlies. Ze vonden dat de casussen niet voldeden aan de DSM-5 criteria en dat het bewijs voor dissociatieve amnesie uitermate zwak was. Zo vonden ze dat in sommige gevallen niet eens sprake was van een traumatische gebeurtenis (Reinhold & Markowitsch, 2007) en dat het goed mogelijk was dat in andere gevallen geheugenverlies werd geveinsd (Kritchevsky et al., 2004). Wetenschappelijke ondersteuning voor dissociatieve amnesie is zodoende uitzonderlijk mager.

Pseudo-herinneringen aan autobiografische ervaringen

Een belangrijke kwestie in het debat over verdringing is of suggestieve druk kan leiden tot pseudoherinneringen. Hoewel onderzoek heeft uitgewezen dat fictieve gebeurtenissen in het geheugen kunnen worden geïmplanteerd (Scoboria et al., 2017), hebben onderzoekers recentelijk de prevalentie en ecologische validiteit van dat onderzoek in twijfel getrokken (bijv. Blizard & Shaw, 2019; Brewin & Andrews, 2017). Het gaat dan vooral om onderzoek waarin proefpersonen door middel van suggestieve interviews wordt wijsgemaakt dat ze een fictieve gebeurtenis in hun kindertijd hebben meegemaakt. De in dat onderzoek ge- hanteerde methode wordt ook wel de implantatie-methode genoemd.

De Britse psychologen Brewin en Andrews (2017, p.2) concludeerden op basis van hun overzicht van het onderzoek dat ‘In memory implantation studies, some recollective experience for the suggested events is induced on average in 47% of participants, but only in 15% are these experiences likely to be rated as full memories’. Daarmee werd bedoeld dat het meeviel met de vatbaarheid voor suggestieve druk en de vorming van valse herinneringen.

Het probleem van het overzichtsartikel was echter dat de onderzochte studies dikwijls gebruikmaakten van verschillende manieren om pseudoherinneringen te scoren en zodoende het gevonden percentage (15%) eerder een onder-representatie geeft van de vatbaarheid voor geïmplanteerde valse herinneringen. Vandaar dat de Canadese onderzoeker Scoboria en zijn collega’s (2017) een vernieuwde scoringshandleiding ontwikkelden en verschillende implantatiestudies opnieuw scoorden betreffende de vorming van pseudoherinneringen. In tegenstelling tot Brewin en Andrews vonden zij dat ‘[u]sing this scheme, 30.4% of cases were classified as false memories and another 23% were classified as having accepted the event to some degree’ (p.146). Verder rapporteerden ze dat als de suggestieve druk persoonlijke details bevatte of als proefpersonen zich fictieve gebeurtenissen dienden in te beelden, het percentage zelfs steeg naar bijna 50%.

Rekening houdend met het feit dat in zaken van hervonden herinneringen suggestieve druk veel vaker wordt gegeven, dat zulks gebeurt verspreid over meerdere jaren en dat de patiënten er mogelijk gevoeliger voor zijn dan de gemiddelde proefpersoon, zijn die percentages wellicht een onderschatting (Loftus & Ketcham, 1994). Maar welbeschouwd: zelfs als de conservatieve interpretatie van Brewin en Andrews (2017) wordt aangehouden, kan worden betoogd dat 15% nog steeds aanzienlijk en zorgelijk is (zie ook Nash et al., 2017; Otgaar et al., 2017; Smeets et al., 2017).

Een ander punt van kritiek is dat implantatie-studies niet ecologisch valide zijn en geen goede weergave geven van de werkelijkheid. Hiermee wordt bedoeld dat het in rechtszaken voornamelijk gaat om pseudoherinneringen aan seksueel misbruik. Het is natuurlijk niet ethisch om experimenteel pseudo-herinneringen aan seksueel misbruik uit te lokken. Implantatie-studies zijn er echter in geslaagd om pseudo-herinneringen uit te lokken die kenmerken vertonen van pseudo-herinneringen aan misbruik, zoals dat het negatieve en pijnlijke ervaringen zijn. Het is onderzoekers bijvoorbeeld gelukt pseudoherinneringen te induceren aan ervaringen zoals gebeten worden door een hond (Porter et al., 1999), beschuldigd worden van afkijken (Otgaar et al., 2008) en het begaan van een geweldsdelict (Shaw & Porter, 2015). Verder zijn onderzoekers erin geslaagd pseudo-herinneringen uit te lokken aan pijnlijke en schaamtevolle gebeurtenissen, zoals met je vinger in een muizenval vastzitten (Ceci et al., 1994) of een darmspoeling krijgen (Otgaar et al., 2010).

Het geloof in verdringing is diep verankerd onder klinische psychologen. Dat is zorgwekkend.

Onderzoek heeft zo laten zien dat suggestieve druk in relatief korte tijd kan leiden tot pseudoherinneringen, zelfs tot pseudoherinneringen aan negatieve gebeurtenissen. Die bevindingen geven een adequate verklaring over hoe suggestie in therapie kan leiden tot pseudoherinneringen aan seksueel misbruik.

Therapie en het geheugen

In het debat over verdringing wordt therapie dikwijls als boosdoener gezien in zaken waarin individuen herinneringen hervonden in therapie (Patihis & Pendergrast, 2019). Het is aangetoond dat suggestieve therapeutische interventies zoals hypnose kunnen aanzetten tot de vorming van valse herinneringen (Lynn et al., 2020). De beroepsgroep is zich daarvan bewust. De beroepscode van de Nederlandse Beroepsvereniging van Hypnotherapeuten bevat de expliciete waarschuwing dat de beoefenaar ‘zich onthoudt van een werkwijze met gerichte suggestieve beïnvloeding, waarbij sprake is van het ophalen en/of bovenkomen van herinneringen en de herinterpretatie daarvan door de cliënt.’2 Ook de beroepscode voor Psychotherapie (2018) maant psychotherapeuten tot voorzichtigheid omdat ‘… de in een psychotherapeutisch contact opkomende herinneringen wel mogelijkerwijs maar niet noodzakelijkerwijs een accurate weergave van de werkelijkheid vormen’ (p.18).3

Er zijn ook therapeutische interventies die op het eerste gezicht echter niet suggestief lijken. Een daarvan is EMDR, een techniek die in toenemende mate wordt gebruikt bij de behandeling van verschillende stoornissen en vooral traumagerelateerde klachten (Cuijpers et al., 2020). Bij EMDR worden eerst mogelijke traumatische ervaringen van patiënten vastgesteld. Patiënten dienen dan hun meest traumatische herinnering op te halen, waarna de therapeut met zijn vinger horizontaal in het gezichtsveld van de patiënt beweegt – het kan overigens ook een geluidje, lampje of combinatie daarvan zijn dat afwisselend links of rechts wordt gegeven. Patiënten dienen dan de bewegende vinger te volgen. Onderzoek wijst uit dat zulke oogbewegingen ervoor zorgen dat de levendigheid en emotionaliteit van een traumatische herinnering afvlakt (bijv. Lee & Cuijpers, 2013; Houben et al., 2020).

Niet denken aan een traumatische ervaring is niet hetzelfde als het verdringen van een traumatische ervaring

Behalve dat oogbewegingen de scherpe kant van traumatische herinneringen beïnvloeden, doet recent onderzoek vermoeden dat zulke oogbewegingen de vorming van valse herinneringen zouden kunnen bevorderen. Zo lieten Houben en collega’s (2018) zien dat proefpersonen eerder geneigd zijn om met suggestie mee te gaan als ze oogbewegingen moeten maken dan als ze dat niet hoeven te doen. In vervolgonderzoek zijn die bevindingen echter niet gerepliceerd (Van Schie & Leer, 2019). Daarom hebben onderzoekers zich toegelegd op het effect van oogbewegingen op andere typen valse herinneringen. Recente studies hebben laten zien dat spontane pseudoherinneringen eerder opduiken na oogbewegingen dan als zulke oogbewegingen niet worden uitgevoerd (Houben et al., 2020; Leer & Engelhard, 2020). Spontane pseudoherinneringen zijn geheugenfouten die bijvoorbeeld ontstaan als proefpersonen claimen zich het woord ‘slapen’ te herinneren terwijl ze alleen de verwante woorden ‘dromen, ‘nacht’, ‘kussen’ en ‘maan’ hebben gezien.

Oogbewegingen, zoals gebruikt in EMDR, kunnen niet alleen geheugenvervorming in de hand werken. Onderzoek laat ook zien dat EMDR-therapeuten het idee van verdringing niet afwijzen. Houben en collega’s (in druk) vroegen aan EMDR-therapeuten of ze geloofden dat traumatische herinneringen onbewust kunnen worden verdrongen. Ze vonden in twee studies dat tussen de 70% en 90% van de therapeuten daar bevestigend op antwoordde.

De nasleep van het geloof in verdringing is dat therapeuten in sessies aan hun patiënten kunnen suggereren dat hun symptoomprofiel het gevolg is van een verdrongen herinnering aan vroegkinderlijk misbruik. De Amerikaanse onderzoekers Patihis en Pendergrast (2019) hebben dat treffend geëtaleerd. Zij vroegen aan Amerikaanse burgers die ooit psychotherapie hadden ondergaan, of hun behandelaars een keer hadden gesuggereerd dat ze verdrongen herinneringen hadden. Ze vonden dat dat het geval was in 9% van hun steekproef (N = 2326). De psychologen Dodier en collega’s (2019) hebben vergelijkbare resultaten gevonden in een Franse populatie (met een percentage van 6%).

Dat type onderzoek laat dus zien dat het concept verdringing nog steeds onderdeel is van de psychologische gereedschapskist van therapeuten om symptomen van patiënten te verklaren.

Hervonden herinneringen

Hervonden herinneringen verwijzen naar herinneringen aan ingrijpende gebeurtenissen waar men voor een lange tijd het bestaan niet van wist maar die op een gegeven moment weer worden ontdekt (Wessel et al., 2017). Het debat over verdringing wordt dikwijls gekenmerkt door de stelling dat hervonden herinneringen die ontstaan in therapie mogelijkerwijs valse herinneringen zijn (Otgaar et al., 2019). Het suggestieve karakter van sommige interventies (zoals hypnose) zou aanzetten tot de vorming van valse herinneringen.

Hervonden herinneringen kunnen ook authentieke ervaringen betreffen en worden ‘spontaan hervonden herinneringen’ genoemd (Wessel et al., 2017). Een voorbeeld is als een slachtoffer na lange tijd de dader tegenkomt en zich spontaan verschillende traumatische ervaringen herinnert. Relevant daarbij is dat spontaan hervonden herinneringen kunnen worden verklaard door welbekende geheugenprincipes en dat verdringing geen adequate verklaring biedt voor het spontaan hervinden van herinneringen aan zulke ervaringen. Zeker voor traumatische ervaringen geldt dat mensen er liever niet bij willen stilstaan: niet denken aan een traumatische ervaring is niet hetzelfde als het verdringen van een traumatische ervaring.

Verder kan een ervaring die eerst niet als traumatisch wordt ervaren maar jaren later wordt geherinterpreteerd als emotioneel geladen (McNally & Geraerts, 2009). Dodier en Patihis (in druk) vonden bijvoorbeeld onlangs dat bijna een derde van de Franse burgers die zei een hervonden herinnering aan misbruik te hebben eigenlijk bedoelde dat ze altijd een herinnering hadden maar die later interpreteerden als een herinnering aan misbruik.

Ten slotte laat onderzoek zien dat slachtoffers met spontaan hervonden herinneringen weleens eerder over hun misbruikervaringen hebben gesproken maar die gesprekken zijn vergeten. Dat fenomeen staat ook wel te boek als het forget-it-all-along-effect (Dodier & Patihis, in druk; Janssen et al., 2021; Schooler et al., 1997).

Om te achterhalen of hervonden herinneringen nog steeds in de belangstelling staan, onderzocht Dodier (2019) hoeveel publicaties over onder andere hervonden herinneringen zijn verschenen in de periode 2001-2018. Dat bleken er 145 te zijn. Een opvallend detail is dat het jaar 2018 één van de meest productieve jaren was op het gebied van de hoeveelheid artikelen over hervonden herinneringen.

Verdinging in de rechtbank en daarbuiten

Er zijn verschillende voorbeelden die laten zien dat verdringing aanhoudend een belangrijke plek inneemt in rechtszaken omtrent verklaringen van misbruik. In Frankrijk is de verjaringstermijn onlangs verlengd van 20 tot 30 jaar om seksueel misbruik te vervolgen. Een van de redenen voor die verlenging is de opvatting dat slachtoffers traumatische herinneringen kunnen verdringen en dat het soms tientallen jaren kan duren voordat die herinneringen naar de oppervlakte komen (Dodier & Tomas, 2019).

Als therapeuten zich mengen in wetenschappelijke discussies, zouden ze zich bewust moeten zijn van de beperkingen van louter anekdotische klinische observaties

Ook in Nederland is de verjaringstermijn voor seksueel misbruik verlengd, door die pas te laten beginnen op de dag dat het vermeende slachtoffer 18 jaar oud wordt in plaats van de dag van het misdrijf. In de afgelopen tien jaar is bovendien een toename te zien van Nederlandse rechterlijke uitspraken waarin thema’s zoals verdringing, hervonden herinnering en dissociatieve amnesie worden genoemd (Otgaar et al., 2019). Recentelijk is in Nederland een verhitte discussie ontstaan betreffende de validiteit van claims van traumatische ervaringen. Zo ontstaat er al gauw verschil van mening over de validiteit van herinneringen als die worden bezien vanuit de objectieve bewijsbaarheid of juist vanuit het perspectief van de individuele aangever (zoals recentelijk in een publicatie van Argos).4 Tot slot ontvangen advocaten in het Verenigd Koninkrijk advies om met potentiële slachtoffers te praten. In dat advies wordt gesteld dat dissociatieve amnesie bestaat doordat traumata op verschillende manieren in de hersenhemisferen wordt verwerkt (Advocate Gateway, 2015).

Kennis over een rechtsgang op basis van hervonden herinneringen – wat weten rechters of juryleden, advocaten of aanklagers over de twijfelachtige status van hervonden herinneringen? – en de gevolgen daarvan lijkt voorlopig nog te ontbreken. Dat daar nieuwe slachtoffers worden gemaakt, lijkt bijkans evident.

Conclusie

Het moge duidelijk zijn dat het debat over verdringing en of trauma’s onbewust hun invloed kunnen uitoefenen op gedrag en klachten springlevend is. Controversiële ideeën over het geheugen doen nog steeds de ronde. Zo laat onderzoek zien dat het geloof in verdringing nog steeds prevalent is onder clinici. Sommige hedendaagse therapeutische technieken (bijvoorbeeld oogbewegingen in EDMR) vergroten mogelijkerwijs de kans op valse herinneringen. Zolang het debat over verdringing nog bestaat, is de kans groot dat therapeuten die geloven in verdringing op zoek gaan naar onbewuste trauma’s in hun patiënten. Zulke exercities kunnen leiden tot valse herinneringen die tot valse beschuldigingen en onterechte veroordelingen kunnen leiden.

Hoe nu verder? Het is belangrijk dat het debat over verdringing en onbewuste traumatische herinneringen niet verder wordt gepolariseerd (zie ook Lindsay & Briere, 1997). In onze optiek zijn daarom de volgende twee onderzoekslijnen belangrijk. Allereerst dient onderzocht te worden hoe en of het geloof in verdringing kan worden bijgesteld door scholing. Zo demonstreerden Sauerland en Otgaar (in druk) dat studenten die een blok volgden over het geheugen van getuigen en slachtoffers (met onder andere onderwijs over verdringing) minder geneigd waren te geloven in verdringing na dan voor aanvang van het blok. Het zou dienstig zijn om te onderzoeken of eenzelfde trend wordt waargenomen als therapeuten zulke kennis opdoen. Het zou ook goed zijn om meer onderzoek te doen naar zogeheten herroepers. Herroepers zijn mensen die ooit claimden te zijn misbruikt maar later hun herinnering hebben ingetrokken (Ost et al., 2002). Onderzoek kan inzicht geven in hoe herroepers zich fictieve gebeurtenissen zijn gaan herinneren.

Wat verder van belang is bij het oplossen van de controverse, is dat de betrokkenen zich rekenschap geven van hun professionele taak en positie, en van de beperkingen daarvan. Wetenschappers krijgen betaald om wetenschappelijk onderzoek te doen, waarmee een stukje van de werkelijkheid in kaart kan worden gebracht. Als wetenschappers getuige zijn van praktijken die niet stroken met hun kennis, ervaren ze het meestal als hun plicht om het ontbreken van de wetenschappelijke onderbouwing van die praktijken aan te kaarten. Maar principieel kunnen wetenschappers niet de hele werkelijkheid in kaart brengen, noch die aan iedereen verkopen. Wetenschappelijk is het niet te doen te bewijzen dat verdringing niet bestaat. Je kunt namelijk niet bewijzen dat iets niet bestaat. Je kunt hoogstens zeggen dat iets ondanks veel speurwerk niet is aangetoond door wetenschappelijk onderzoek. En er kunnen alternatieve verklaringen worden geopperd. Maar de wetenschappelijke argumenten zullen altijd indirect zijn. Believers zijn daarmee en daarom moeilijk te overtuigen.

De primaire taak van therapeuten is het bevorderen van het welzijn van de patiënt. Dat geschiedt in de regel door diens klachten, het therapeutisch narratief, als uitgangspunt te nemen. Een kritische waarheidsvinding, het juridische narratief (bijvoorbeeld naar het vermeende trauma van een cliënt die ·¸´´ lijkt te hebben) hoort daar niet bij. Dat uitgangspunt is prima in de therapeutische context. Als de gevolgen van een behandeling echter zijn dat de cliënt hervonden herinneringen aan een traumatisch incident heeft, mag de vraag worden gesteld of hij/zij daar op termijn echt bij is gebaat. Dient het de cliënt om herinneringen aan trauma af te stoffen, nog daargelaten of die herinneringen echt zijn of fictieve gebeurtenissen betreffen? Deze vraag gaat nog vooraf aan die naar de gevolgen voor derden (beschuldigde familieleden die het trauma zouden hebben veroorzaakt).

Hoewel therapeuten veelal een academische opleiding hebben genoten, kunnen zij soms het overzicht ontberen dat nodig is om vruchtbaar bij te dragen aan een wetenschappelijke discussie. Zij baseren hun kennis voornamelijk op hun contacten met cliënten. Maar daardoor hebben ze een scheef beeld van de werkelijkheid. Zij moeten de eerste patiënt die geen klachten overhoudt aan trauma nog tegenkomen. Dat komt doordat zulke mensen zich niet tot de therapeut wenden voor hulp. Het idee dat mensen met onverklaarbare klachten waarschijnlijk getraumatiseerd zijn, stoelt daarmee op een scheef wereldbeeld. Misschien zijn veel meer mensen in meer of mindere mate getraumatiseerd, maar is dat op zichzelf niet de uiteindelijke oorzaak van aspecifieke klachten.

Kortom: als therapeuten zich mengen in wetenschappelijke discussies, zouden ze zich bewust moeten zijn van de beperkingen van louter anekdotische klinische observaties. Als het gaat om het optreden als getuige-deskundige in de rechtszaal, stellen Zajac en collega’s (2013, p. 615) dat ‘… people whose primary occupation is clinical practice are not automatically qualified to give evidence on human memory, even if they have published the occasional paper’. Onderzoek zoals hierboven genoemd kan bijdragen aan een completer beeld over hoe trauma het geheugen kan beïnvloeden. Zulk onderzoek is relevant omdat daarmee recht wordt gedaan aan echte slachtoffers van misbruik. Maar ook omdat daardoor de kans op valse herinneringen en mogelijkerwijs valse beschuldigen en onterechte veroordelingen wordt verkleind.

Bronnen

  1. Voor het volledige verhaal: https://www.traumaversterking.nl/lot1.html.
  2. Zie https://hypnotherapie.nl/wp-content/uploads/2015/11/2017-10-Beroepscode-van-de-NBVH.pdf
  3. Zie https://assets.psychotherapie.nl/p/229378//files/NVPdocs/beroepscode%202018.pdf
  4. https://www.vpro.nl/argos/media/afleveringen/2020/uitzending-27-juni-ritueel-misbruik.html en https://www.vpro.nl/argos/media/luister/argos-radio/onderwerpen/2021/de-hervondenherinneringencampagne-van-de-landelijke-expertisegroep-bijzonderezedenzaken.html

Beeld: Orawan Pattarawimonchai/shuttestock.com

Literatuurlijst

  1. Advocate’s Gateway. (2015). Toolkit 18: Working with traumatised witnesses, defendants and parties. Retrieved from https://www. theadvocatesgateway.org/images/ archive/18-working-with-traumatised- witnesses-defen dants-and-parties-2015.pdf
  2. American Psychiatric Association. (2013). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed.). Washington, DC: Author Anderson, M.C. & Green, C. (2001). Suppressing unwanted memories by executive control. Nature, 410, 366–369.
  3. Anderson, M.C. & Hulbert, J.C. (2020). Active forgetting: Adaptation of memory by prefrontal control.¹Annual Review of Psychology,¹72, 1-36.
  4. Barden, R.C. (2016). Memory and reliability: Developments and controversial issues. In P. Radcliffe, A. Heaton- Armstrong, G. Gudjonsson, & D. Wolchover (Eds.), Witness testimony in sex cases (pp. 343–359). Oxford, England: Oxford University Press.
  5. Blizard, R.A. & Shaw, M. (2019). Lost-in-the-mall: False memory or false defense? Journal of Child Custody,¹16(1), 20-41.
  6. Brewin, C.R. (2021). Tilting at windmills: Why attacks on repression are misguided.¹Perspectives on Psychological Science,¹16(2), 443-453.
  7. Brewin, C.R. & Andrews, B. (2017). Creating memories for false autobiographical events in childhood: A systematic review.¹Applied Cognitive Psychology,¹31(1), 2-23.
  8. Ceci, S.J., Huffman, M.LC., Smith, E. & Loftus, E F. (1994). Repeatedly thinking about a non-event: Source misattributions among preschoolers. Consciousness and Cognition, 3(3-4), 388–407.
  9. Cuijpers, P., Veen, S.C.V., Sijbrandij, M., Yoder, W. & Cristea, I.A. (2020). Eye movement desensitization and reprocessing for mental health problems: A systematic review and meta-analysis.¹Cognitive Behaviour Therapy,¹49(3), 165-180.
  10. Dodier, O. (2019). A bibliometric analysis of the recovered memory controversy in the 21st century.¹Applied Cognitive Psychology,¹33(4), 571-584. Dodier, O. & Patihis, L. (in druk). Recovered memories of child abuse outside of therapy.¹Applied Cognitive Psychology.
  11. Dodier, O., Patihis, L. & Payoux, M. (2019). Reports of recovered memories of childhood abuse in therapy in France.¹Memory,¹27(9), 1283-1298.
  12. Dodier, O. & Tomas, F. (2019). When psychological science fails to be heard: The lack of evidence-based arguments in a ministerial report on child sexual abuse.¹Psychiatry, Psychology and Law,¹26(3), 385-395.
  13. Ellenberger, H. (1970). The discovery of the unconscious. New York, NY: Basic Books. Erdelyi, M.H. (2006). The unifi ed theory of repression.¹Behavioral and Brain Sciences,¹29(5), 499.
  14. Goldfarb, D., Goodman, G.S., Larson, R.P., Eisen, M.L. & Qin, J. (2019). Long-term memory in adults exposed to childhood violence: Remembering genital contact nearly 20 years later.¹Clinical Psychological Science,¹7(2), 381-396.
  15. Goodman-Brown, T.B., Edelstein, R.S., Goodman, G.S., Jones, D.P. & Gordon, D.S. (2003). Why children tell: A model of children’s disclosure of sexual abuse. Child Abuse & Neglect, 27, 525–540.
  16. Hall, K.J., Fawcett, E.J., Hourihan, K.L. & Fawcett, J.M. (2021). Emotional memories are (usually) harder to forget: A meta-analysis of the item-method directed forgetting literature.¹Psychonomic Bulletin & Review, 1-14
  17. Houben, S.T., Otgaar, H., Roelofs, J. & Merckelbach, H. (2018). Lateral eye movements increase false memory rates.¹Clinical Psychological Science,¹6(4), 610-616.
  18. Houben, S.T., Otgaar, H., Roelofs, J., Merckelbach, H. & Muris, P. (2020). The effects of eye movements and alternative dual tasks on the vividness and emotionality of negative autobiographical memories: A meta-analysis of laboratory studies.¹Journal of Experimental Psychopathology, ¹11(1), 2043808720907744.
  19. Houben, S.T., Otgaar, H., Roelofs, J., Wessel, I., Patihis, L. & Merckelbach, H. (2020). Eye movement desensitization and reprocessing (EMDR) practitioners’ beliefs about memory. Psychology of Consciousness: Theory, Research, and Practice.
  20. Houben, S.T., Otgaar, H., Roelofs, J., Smeets, T., & Merckelbach, H. (2020). Increases of correct memories and spontaneous false memories due to eye movements when memories are retrieved after a time delay.¹Behaviour Research and Therapy,¹125, [103546].
  21. Janssen, S. M., Anthony, K., Chang, C.Y.M., Choong, E.L., Neoh, J.Y. & Lim, A. (2021). Replicating remembering “remembering”.¹Memory, Dec 31, 1-9.
  22. Jaspers, H. (2021). Open brief aan Ineke Wessel. Gedownload van Twitter op 11 mei 2021, https://drive.google.com/file/d/1a_vIst9yyEF2uuNdwtTcQoKWt6wcXasc/view
  23. Kensinger, E.A., & Ford, J.H. (2021). Guiding the emotion in emotional memories: The role of the dorsomedial prefrontal cortex.¹Current Directions in Psychological Science,¹30(2), 111-119.
  24. Kritchevsky, M., Chang, J. & Squire, L. R. (2004). Functional amnesia: clinical description and neuropsychological profi le of 10 cases. Learning & Memory, 11, 213-226 Lee, C.W., & Cuijpers, P. (2013). A meta-analysis of the contribution of eye movements in processing emotional memories.¹Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry,¹44(2), 231-239.
  25. Leer, A. & Engelhard, I.M. (2020). Side effects of induced lateral eye movements during aversive ideation.¹Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry,¹68, 101566.
  26. Lindsay, D.S. & Briere, J. (1997). The controversy regarding recovered memories of childhood sexual abuse: Pitfalls, bridges, and future directions. ¹Journal of Interpersonal Violence,¹12(5), 631-647. Loftus, E.F. (1993). The reality of repressed memories. American Psychologist, 48, 518–537.
  27. Loftus, E.F. (1994). The repressed memory controversy. American Psychologist, 49, 443–445. Loftus, E.F. & Davis, D. (2006). Recovered memories. Annual Review of Clinical Psychology, 2, 469–498.
  28. Loftus, E.F. & Ketcham, K. (1994). The myth of repressed memory: False memories and allegations of sexual abuse. New York, NY: St. Martin’s Press.
  29. Lynn, S.J., Kirsch, I., Terhune, D.B. & Green, J.P. (2020). Myths and misconceptions about hypnosis and suggestion: Separating fact and fi ction.¹Applied Cognitive Psychology,¹34(6), 1253-1264.
  30. Mangiulli, I., Otgaar, H., Jelicic, M. & Merckelbach, H. (in druk). A critical review of case studies on dissociative amnesia. Clinical Psychological Science. McHugh, P.R. (2003). The end of a delusion: The psychiatric memory wars are over. Weekly Standard, 36(8), 31–34.
  31. McKinnon, M.C., Palombo, D.J., Nazarov, A., Kumar, N., Khuu, W. & Levine, B. (2015). Threat of death and autobiographical memory: A study of passengers from Flight AT236.¹Clinical Psychological Science, ¹3(4), 487-502. McNally, R.J. (2005). Debunking myths about trauma and memory. The Canadian Journal of Psychiatry, 50, 817–822.
  32. McNally, R.J. (2021). Are memories of sexual trauma fragmented?.¹Memory, Jan 12, 1-5. Merckelbach, H., Dekkers, T., Wessel, I., & Roefs, A. (2003). Amnesia, fl ashbacks, nightmares, and dissociation in aging concentration camp survivors. Behaviour Research and Therapy, 41, 351–360.
  33. Merckelbach, H. & Wessel, I. (1998). Assumptions of students and psychotherapists about memory. Psychological Reports, 82, 763–770.
  34. Nash, R.A., Wade, K.A., Garry, M., Loftus, E.F. & Ost, J. (2017). Misrepresentations and fl awed logic about the prevalence of false memories.¹Applied Cognitive Psychology,¹31(1), 31-33.
  35. Ost, J., Costall, A. & Bull, R. (2002). A perfect symmetry? A study of retractors’ experiences of making and then repudiating claims of early sexual abuse.¹Psychology, Crime and Law,¹8(2), 155-181.
  36. Otgaar, H., Candel, I. & Merckelbach, H. (2008). Children’s false memories: Easier to elicit for a negative than for a neutral event. Acta Psychologica, 128, 350–354.
  37. Otgaar, H., Candel, I., Scoboria, A. & Merckelbach, H. (2010). Script knowledge enhances the development of children’s false memories. ¹Acta Psychologica,¹133(1), 57-63.
  38. Otgaar, H., Howe, M. L., Patihis, L., Merckelbach, H., Lynn, S.J., Lilienfeld, S.O. & Loftus, E.F. (2019). The return of the repressed: The persistent and problematic claims of long-forgotten trauma.¹Perspectives on Psychological Science,¹14(6), 1072-1095.
  39. Otgaar, H., Howe, M.L. & Patihis, L. (2021). What science tells us about false and repressed memories.¹Memory, 1-6. Otgaar, H., Merckelbach, H., Jelicic, M., & Smeets, T. (2017). The potential for false memories is bigger than what Brewin and Andrews suggest. ¹Applied Cognitive Psychology,¹31(1), 24-25.
  40. Paris, J. (2012) The rise and fall of dissociative identity disorder. Journal of Nervous and Mental Disease, 200, 1076–1079.
  41. Patihis, L., Ho, L.Y., Tingen, I.W., Lilienfeld, S.O. & Loftus, E.F. (2014). Are the “memory wars” over? A scientist-practitioner gap in beliefs about memory. Psychological Science, 25, 519–530.
  42. Patihis, L. & Pendergrast, M.H. (2019). Reports of recovered memories of abuse in therapy in a large age-representative US national sample: Therapy type and decade comparisons.¹Clinical Psychological Science,¹7(1), 3-21.
  43. Piper, A., Lillevik, L. & Kritzer, R. (2008). What’s wrong with believing in repression? A review for legal professionals. Psychology, Public Policy, and Law, 14, 223–242.
  44. Poole, D.A., Lindsay, D.S., Memon, A. & Bull, R. (1995). Psychotherapy and the recovery of memories of childhood sexual abuse: U.S. and British practitioners’ opinions, practices, and experiences. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 63, 426–437.
  45. Porter, S., Yuille, J.C. & Lehman, D.R. (1999). The nature of real, implanted, and fabricated memories for emotional childhood events: Implications for the recovered memory debate.¹Law and Human Behavior,¹23(5), 517-537.
  46. Raymaekers, L., Smeets, T., Peters, M.J., Otgaar, H. & Merckelbach, H. (2012). The classifi cation of recovered memories: A cautionary note.¹Consciousness and Cognition,¹21(4), 1640-1643.
  47. Reinhold, N. & Markowitsch, H.J. (2009). Retrograde episodic memory and emotion: a perspective from patients with dissociative amnesia. Neuropsychologia, 47, 2197-2206.
  48. Sauerland, M. & Otgaar, H. (2021). Teaching psychology students to change (or correct) controversial beliefs about memory works.¹Memory, 1-10 Schacter, D.L. (1999). The seven sins of memory. American Psychologist, 54, 182-203.
  49. Schooler, J.W., Ambadar, Z. & Bendiksen, M. (1997). A cognitive corroborative case study approach for investigating discovered memories of sexual abuse. In¹Recollections of trauma¹(pp. 379-387). Springer, Boston, MA.
  50. Scoboria, A., Wade, K.A., Lindsay, D.S., Azad, T., Strange, D., Ost, J. & Hyman, I.E. (2017). A mega-analysis of memory reports from eight peer-reviewed false memory implantation studies.¹Memory,¹25(2), 146-163.
  51. Shaw, J. & Porter, S. (2015). Constructing rich false memories of committing crime.¹Psychological Science,¹26(3), 291-301.
  52. Smeets, T., Merckelbach, H., Jelicic, M. & Otgaar, H. (2017). Dangerously neglecting courtroom realities.¹Applied Cognitive Psychology,¹31(1), 26-27. Van Schie, K. & Leer, A. (2019). Lateral Eye movements do not increase false-memory rates: A failed direct-replication study.¹Clinical Psychological Science,¹7(5), 1159-1167
  53. Wagenaar, W.A., & Groeneweg, J. (1990). The memory of concentration camp survivors.¹Applied Cognitive Psychology,¹4(2), 77-87.
  54. Wegner, D.M., Schneider, D.J., Carter, S.R. & White, T.L. (1987). Paradoxical effects of thought suppression. Journal of Personality and Social Psychology, 53, 5-13.
  55. Wessel, I., Albers, C., Zandstra, A.R.E. & Heininga, V.E. (2020). A multiverse analysis of early attempts to replicate memory suppression with the Think/No-think task. Memory, 28(7), 870-887.
  56. Zajac, R., Garry, M., London, K., Goodyear-Smith, F., Hayne, H. (2013). Misconceptions about childhood sexual abuse and child witnesses: Implications for psychological experts in the courtroom. Memory, 21, 608-617.