In 1981 publiceerde Simone de Beauvoir haar boek getiteld Le Cérémonie des Adieux, dat bestond uit de door De Beauvoir opgetekende conversaties met Jean Paul Sartre. Het lijkt op het eerste gezicht een interviewboek, maar wie nauwkeuriger kijkt naar de gesprekken, zal snel ontdekken dat de normale gang van zaken daarvoor te vaak wordt doorbroken. In plaats van het gestileerde spel van vraag en antwoord, door respectievelijk de interviewer en de geïnterviewde, trekken De Beauvoir en Sartre gelijk op, samen tastend, suggererend en proberend, op zoek naar hun onderwerp van gesprek. In eerste instantie draagt De Beauvoir de onderwerpen aan en reageert Sartre daarop, maar als hij ergens halverwege een zin blijft steken, neemt De Beauvoir het van hem over en geeft zij ogenschijnlijk het antwoord dat Sartre had moeten geven, totdat ook De Beauvoir aarzelt, een stilte laat vallen, waarna Sartre de draad van het antwoord weer oppakt. Samen zijn ze verantwoordelijk voor het eindresultaat dat misschien wel het ideaaltypische gesprek belichaamt.
Dat het bij De Beauvoir en Sartre zo goed lukte, zou je kunnen toeschrijven aan het feit dat ze elkaar – in leven en werk – door en door kenden. Ze hadden aan een half woord genoeg en wisten wat de ander dacht en wilde zeggen. Maar wie denkt dat dat laatste uitzonderlijk is, onderschat het vermogen van gewone mensen in allerlei alledaagse situaties vergelijkbare gesprekken te voeren, of beter, te laten ontstaan, aldus Stein Bråten in zijn prachtige studie The Intersubjective Mirror in Infant Learning and Evolution of Speech. In eigen laboratoriumstudies van Bråten en collega’s bijvoorbeeld, kregen deelnemers die elkaar niet kenden de opdracht zich de veiligheidsmaatregelen van een (denkbeeldig) schip eigen te maken. Ook in zo’n concreet geval ontstond iets wat de onderzoekers typeerden als negotiating intersubjective understanding, waarin de deelnemers elkaar aanvulden, alternatieven aandroegen, corrigeerden, enzovoort.
Goed beschouwd vormt deze manier van spreken misschien wel de ruggengraat van ons taalgedrag en hoewel je er wel beter in kunt worden, is het niet iets dat we pas als volwassenen leren, maar ligt het aan de basis van onze (gesproken) taalontwikkeling (inclusief de taalevolutie). Voor zover we taal associëren met geschreven taal, verbinden we daar altijd het ‘auteurschap’ aan. De meeste taal ontstaat echter in een ‘stilzwijgende’ collaboratie, waarin de verschillende deelnemers verantwoordelijk zijn voor het eindproduct. Heel vaak zijn we ons daar niet van bewust en Bråten suggereert dat De Beauvoir haar bijdrage in de gesprekken met Sartre waarschijnlijk pas ontdekte toen ze de transcriptie daarvan las. Dat laatste doen we echter in veruit de meeste gevallen niet en zeker niet in het domein waar Bråten zijn onderzoek veelal uitvoert: in de vroege kindertijd.
Uit een groot aantal onderzoeken, van hem zelf en anderen zoals Tomasello, Stern, Meltzoff of Gopnik, naar de vroege taalinteracties tussen moeder en kind, maar ook uit primatenonderzoek, blijkt dat de ‘gesprekspartners’, lang voordat ze volwaardige taalgebruikers zijn, er alles aan doen om elkaar te begrijpen. Daarbij gaat het niet om taal alleen, maar ook (en vooral) om zaken als de positie die de deelnemers ten opzichte van elkaar innemen, de houdingen en gebaren die een rol spelen in de interactie, de bereidheid die ze tonen om met elkaar mee te gaan in de interactie, enzovoort. Het levert een beeld op waarin interactie niet wordt gekenschetst als een proces waarin informatie wordt overgedragen naar een andere partij (en weer terug), maar veeleer ontstaat – emergeert – in de interactie zelf. In dit licht probeert hij ook duidelijk te maken wat er fout gaat bij autistische kinderen. Zij blijven opgesloten in hun eigen ik of ‘I’.
Volgens Bråten worden gesprekken in principe echter niet gevoerd door twee geïsoleerde ‘I’s die aan elkaar hun interne toestand proberen duidelijk te maken, maar zijn de gesprekspartners voortdurend in de weer zich een beeld te vormen van wat er in het hoofd van de ander omgaat en is dat beeld cruciaal voor wat ze zelf inbrengen. Intersubjectiviteit is in die visie niet het eindpunt, maar het begin van iedere communicatie. Bråten spreekt in dit verband van een paradigmashift en leunt daarbij sterk op het onderzoek naar de zogenoemde spiegelneuronen, dat duidelijk maakt dat een handeling door een mens of primaat op neuronaal niveau weerspiegeld wordt in de hersenen van degene die die handeling waarneemt.
Bråtens boek is te rijk aan ideeën om er hier volledig recht aan te kunnen doen. Zijn pretenties zijn niet bepaald bescheiden te noemen, maar hij maakt ze waar. In het eerste deel van het boek probeert hij de theoretische achtergrond van zijn ideeën te schetsen. In het werk van Martin Buber, George Herbert Mead en Ludwig Wittgenstein ziet hij de grondslag van zijn visie van het kind als wezen gericht op intersubjectiviteit (als tegenhanger van het veel meer door Freud en Piaget gedomineerde beeld van het kind als egocentrisch wezen). Dit deel vormt ook de opmaat voor de verbinden van ontogenese en fylogenese, waarbij Bråten wil laten zien dat de evolutie van de taal alleen maar mogelijk is geweest door ons grote en ontwikkelde vermogen ons in anderen te verplaatsen. Alleen al om dat deel kan de auteur niet genoeg geprezen worden. En dan zijn er daarna nog twee even indrukwekkende delen te gaan.
Dr. G. Breeuwsma is als ontwikkelingspsycholoog verbonden aan de afdeling Klinische en Ontwikkelingspsychologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is tevens redacteur van De Psycholoog. E-mail: g.breeuwsma@rug.nl.