Psychologisch onderzoek naar de perceptie van seksuele intentie laat zien dat zulke misverstanden systematische patronen volgen. In heteroseksuele interacties interpreteren mannen ambigu gedrag van vrouwen gemiddeld vaker als seksuele interesse dan dat vrouwen zelf seksuele intenties rapporteren. Tegenovergesteld schatten vrouwen de interesse van mannen gemiddeld juist terughoudender in, dan dat mannen zelf rapporteren. (Abbey, 1982; Koenig et al., 2007; Lindgren et al., 2008; Perilloux et al., 2012). Meta-analyses laten daarnaast consistente sekseverschillen zien in oordelen over hoe flirtend of verleidelijk gedrag overkomt (La France et al., 2009).
Dit patroon verschijnt in verschillende onderzoeksopzetten, waaronder laboratoriumstudies, speed-date designs en vragenlijsten over alledaagse interacties die deelnemers zelf hebben meegemaakt, dus over ‘natuurlijk voorkomende gebeurtenissen’ (Haselton, 2003; Lindgren et al., 2008). Vergelijkbare patronen zijn ook gevonden buiten de Verenigde Staten, bijvoorbeeld in Noorwegen (Bendixen, 2014). Dat suggereert dat het effect niet tot één nationale context beperkt is, maar het betekent niet automatisch dat cultuur geen rol speelt.
Veel mispercepties blijven beperkt tot ongemak, verwarring of een afgewezen toenadering, maar ze zijn niet per definitie triviaal. In modellen van seksueel grensoverschrijdend gedrag geldt misperceptie van seksuele intentie als een van de risicofactoren naast bijvoorbeeld attitudes, verwachtingen, alcoholgebruik en situationele druk (Abbey et al., 1998; Abbey et al., 2000; Farris et al., 2008).
En toch heeft dit onderzoeksgebied een structurele blinde vlek. In de beschikbare empirische studies gaat het meestal om heteroseksuele interacties binnen binaire gendercategorieën. Niet-heteroseksuele deelnemers zijn schaars, en trans en non-binaire perspectieven ontbreken vrijwel volledig. Daardoor is onduidelijk hoe representatief de bevindingen en theorieën zijn buiten deze onderzoekspopulaties. Zolang dat zo is, moeten claims over ‘algemene’ mechanismen voorzichtig worden geformuleerd of expliciet worden begrensd tot de populaties die daadwerkelijk zijn onderzocht.
Waarom zou het brein systematisch de mist ingaan?
De invloedrijkste verklaring voor seksuele overperceptie is de Error Management Theory (EMT; Haselton & Buss, 2000). Het kernidee is dat mensen in onzekere situaties niet willekeurig fouten maken. Wanneer twee soorten fouten mogelijk zijn, kan het adaptief zijn om vaker de minst kostbare fout te maken. Bij de interpretatie van ambigu sociaal gedrag zijn de volgende twee fouten mogelijk: iemand mist echte seksuele interesse (een vals-negatief) of ziet seksuele interesse die er niet is (een vals-positief). Volgens EMT verschuift het oordeel in de richting van de fout die, gemiddeld genomen, minder negatieve gevolgen heeft.
In een heteroseksuele datingcontext leidt EMT tot de hypothese dat mannen ambigu gedrag van vrouwen eerder als seksuele interesse zullen lezen dan vrouwen zelf bedoelen, dus sneller tot de conclusie komen dat er seksuele intentie is. De redenering is niet dat dit in alle situaties zo is, maar dat in een evolutionair model het missen van een reële paringskans voor mannen gemiddeld kostbaarder kan zijn geweest dan een afgewezen toenadering. Voor vrouwen zou een vals-positieve inschatting in sommige contexten juist hogere kosten kunnen hebben gehad, bijvoorbeeld wanneer een potentiële partner wel seks maar geen duurzame investering nastreefde. EMT formuleert hiermee een hypothese over asymmetrische foutkosten in specifieke heteroseksuele contexten, niet een tijdloze wet dat vrouwen per definitie terughoudender zijn.
EMT verklaart daarmee vooral waarom een systematische bias evolutionair voordelig kan zijn, maar minder goed welke directe psychologische mechanismen misperceptie in concrete interacties produceren. Voor dat mechanistische niveau is aanvullend onderzoek nodig.
Van theorie naar mechanisme: projectie, socioseksualiteit en context
EMT is historisch de dominante verklaring in dit veld, maar recenter onderzoek richt zich sterker op psychologische processen die misperceptie direct kunnen verklaren. Een belangrijk mechanisme daarbij is projectie. Lee et al. (2020) laten zien dat sekseverschillen in misperceptie grotendeels samenhangen met socioseksualiteit, dus met hoe open iemand staat voor seks buiten een vaste, emotioneel betrokken relatie, en met de neiging om eigen interesse op de ander te projecteren. Wie zelf meer seksuele interesse voelt of vrijblijvende seks positiever beoordeelt, verwacht sneller dat de ander dat ook wil.
Ook andere individuele verschillen hangen samen met overperceptie. In een speeddate studie rapporteerden Perilloux et al. (2012) dat mannen die zichzelf aantrekkelijker vonden, de interesse van de ander vaker overschatten. Howell et al. (2012) vonden daarnaast dat een meer ongeremde socioseksuele oriëntatie samenhing met meer overperceptie. Context telt eveneens: in settings waar flirten waarschijnlijker is, zoals bars, feestjes of situaties met alcohol, verschuift de interpretatie sneller in seksuele richting (Abbey et al., 2000; Farris et al., 2008).
Deze mechanismen zijn belangrijk omdat ze in principe niet ‘heterospecifiek’ zijn. Projectie kan optreden zodra iemand zich aangetrokken voelt tot een mogelijke partner, ongeacht seksuele oriëntatie. Socioseksualiteit varieert tussen individuen, groepen en subculturen. Ook context en scripts verschillen tussen gemeenschappen. Met scripts bedoelen we ongeschreven regels en verwachtingen over hoe flirten en daten verlopen, en welke signalen als interesse worden gelezen. Juist daarom is het opvallend hoe beperkt het empirische bewijs in LHBTIQ+ populaties tot nu toe is.
Een methodologisch probleem blijft wel bestaan: er is geen objectieve maat voor seksuele intentie. Veel studies definiëren misperceptie als een discrepantie tussen interpretatie van de een en wat de ander achteraf zelf rapporteert te hebben bedoeld. Perilloux en Kurzban (2015) betogen dat een deel van klassieke sekseverschillen ook zou kunnen samenhangen met verschillen in zelfrapportage, bijvoorbeeld als vrouwen hun eigen intenties terughoudender rapporteren. Dat is een belangrijke alternatieve verklaring, maar nog geen weerlegging van het bestaan van misperceptie. Het maakt vooral duidelijk dat onderzoekers precies moeten specificeren wat zij als ‘fout’ beschouwen.
Waarom LHBTIQ+ contexten theoretisch interessant zijn
Er zijn minstens drie redenen waarom het riskant is om heteroseksuele bevindingen 1 op 1 te generaliseren naar LHBTIQ+ gemeenschappen.
Ten eerste kunnen de gevolgen van een vergissing anders liggen. In veel sociale contexten is seksuele oriëntatie niet meteen zichtbaar, waardoor het lastiger is in te schatten of een signaal vooral vriendelijkheid is of bedoeld is als flirt. Een vals-positief, denken dat de ander interesse heeft terwijl dat niet zo is, kan dan meer gevolgen hebben dan alleen een afwijzing. Het kan ook ongemak, sociale spanning, onbedoelde outing of een negatieve reactie in een omgeving met homo- of bifobie oproepen. In zulke situaties is het plausibel dat mensen een hogere beslisdrempel hanteren en pas bij relatief ondubbelzinnige signalen concluderen dat er sprake is van interesse. Dit sluit aan bij de logica van EMT, maar vereist dat contextuele kosten expliciet worden gemodelleerd in plaats van impliciet worden verondersteld.
Ten tweede kan de datingcontext verschillen in de omvang van de groep potentiële partners en in de ongeschreven regels rond flirten en daten. De ‘markt’ is vaak kleiner en de kans dat iemand beschikbaar is kan lager zijn. In specifieke settings, zoals queer uitgaansplekken, community-evenementen of datingapps, kan die kans juist hoger zijn en is communicatie soms explicieter. Welke gevolgen zulke verschillen hebben voor de drempel waarop mensen gedrag als seksuele interesse interpreteren, is nog nauwelijks onderzocht.
Ten derde speelt stigma een rol. Stigma en minderheidsstress kunnen invloed hebben op zelfpresentatie en onthulling (Herek, 2009; Meyer, 2003). Het is aannemelijk dat dit ook consequenties heeft voor hoe expliciet mensen interesse tonen en hoe signalen worden geïnterpreteerd, maar dit is nog weinig direct onderzocht.
Een eerste empirische stap: Moran et al. (2024)
Tegen die achtergrond is het werk van Moran et al. (2024) belangrijk. Voor zover bekend gaat het om een van de eerste studies die seksuele misperceptie expliciet en systematisch onderzoekt in LHB-steekproeven, met een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve methoden. In drie studies bekijken de onderzoekers welke gedragingen als signalen van seksuele intentie gelden, hoe deelnemers eigen en andermans intentie bij zulke gedragingen inschatten, en welke ervaringen zij rapporteren waarin hun vriendelijkheid als seksuele interesse werd gelezen.
Studie 1 (N = 85) vroeg LHB-deelnemers welke gedragingen voor hen seksuele intentie signaleren. Zo werd gevraagd naar hun interpretatie van onder andere oogcontact, nabijheid, aanraking en complimenten. Als verschillende groepen grotendeels dezelfde signalen noemen, dan lijken eventuele verschillen in misperceptie eerder te liggen in interpretatie en beslisdrempel dan in het repertoire van signalen.
Studie 2 (N = 43) richtte zich op homoseksuele mannen. Deelnemers gaven aan hoe waarschijnlijk het was dat zijzelf en andere homoseksuele mannen seksuele intentie zouden voelen of bedoelen bij bepaalde gedragingen. In deze opzet werd geen bewijs gevonden voor seksuele overperceptie: deelnemers schatten de seksuele intentie van andere homoseksuele mannen bij dezelfde gedragingen ongeveer even hoog in als hun eigen intentie. Door de kleine steekproef is voorzichtigheid geboden. Tegelijk zijn de bevindingen theoretisch interessant. De klassieke EMT-formulering is ontwikkeld voor heteroseksuele interacties tussen mannen en vrouwen en laat zich dus niet zonder meer vertalen naar man-man interacties. Juist daarom maakt deze studie zichtbaar dat aannames over foutkosten en beslisdrempels per context expliciet moeten worden gemaakt.
Studie 3 (N = 307) vroeg deelnemers om situaties te beschrijven waarin hun vriendelijkheid door anderen als seksuele interesse was geïnterpreteerd. Daarbij viel één patroon op: biseksuele vrouwen rapporteerden minder vaak dan andere groepen dat hun vriendelijkheid door lesbische of biseksuele vrouwen als seksuele interesse werd gelezen. Emotionele reacties op zulke mispercepties, zoals ongemak, schaamte of onverschilligheid, waren verder grotendeels vergelijkbaar tussen groepen.
Wat betekenen deze bevindingen?
Een eerste consequentie van het uitblijven van overperceptie bij homoseksuele mannen zou kunnen zijn dat EMT hiermee wordt weerlegd. Die conclusie is echter voorbarig. Het onderzoeksdesign van Moran et al. wijkt af van veel klassieke paradigma’s: het draait om inschattingen van intentie bij beschreven gedragingen en om retrospectief gerapporteerde ervaringen, niet om directe interacties waarin beide partijen hun intenties en interpretaties op hetzelfde moment rapporteren. De resultaten zijn daarom vooral richtinggevend.
Wat de bevindingen wel duidelijk maken, is dat sekse waarschijnlijk slechts één factor is in seksuele misperceptie. Twee verklaringen voor het uitblijven van overperceptie in deze context liggen voor de hand. Ten eerste kunnen mensen hun interpretatie afstemmen op de kans dat een signaal daadwerkelijk interesse betekent en op de kosten van een vergissing. In contexten waarin die kans laag is, of waarin een verkeerde inschatting hogere sociale of veiligheidskosten kan hebben, ligt het voor de hand dat mensen een hogere drempel hanteren voordat zij gedrag als flirtgedrag classificeren. Bij homoseksuele mannen kan bijvoorbeeld onzekerheid over de oriëntatie van de ander een rol spelen, waardoor pas bij relatief ondubbelzinnige signalen seksuele interesse wordt aangenomen. Ten tweede kan ervaring een rol spelen. In gemeenschappen waar het aftasten van wederzijdse interesse vaker voorkomt, kunnen mensen hun interpretaties beter kalibreren. Beide verklaringen zijn toetsbaar, maar vragen om onderzoeksdesigns met directe interacties en expliciete contextinformatie, bijvoorbeeld door gesprekken te observeren en beide interactiepartners direct na afloop te bevragen over intenties en interpretaties.
Dat seksuele overperceptie bij biseksuele vrouwen minder lijkt voor te komen is eveneens informatief, maar vraagt om zorgvuldige interpretatie. In Studie 3 rapporteerde biseksuele vrouwen relatief minder vaak dat andere vrouwen hun vriendelijkheid als seksuele interesse lazen. Deze uitkomst berust echter op zelfrapportage van de persoon die de interactie meemaakte, en niet op een onafhankelijke meting van wat de ander daadwerkelijk dacht of bedoelde. Mogelijke verklaringen zijn dat communicatie in deze interacties minder dubbelzinnig is, dat sociale scripts verschillen, of dat de contexten waarin dit soort misverstanden ontstaan anders zijn. Zonder contextgegevens en gedragsobservaties blijven dit plausibele, maar speculatieve, verklaringen.
De belangrijkste meerwaarde van het bestaande onderzoek met LHBTIQ+ gemeenschappen is daarmee vooral conceptueel: het dwingt het veld om expliciet te maken welke aannames men hanteert over kosten van vergissingen, beschikbaarheid, scripts en stigma. Dat is precies wat een goed ontwikkelde theorie nodig heeft.
Wat is er nu nodig?
Voorlopig zijn de bevindingen vooral richtinggevend; het veld heeft nu beter ontworpen vervolgonderzoek nodig.
Ten eerste zijn er interactieve methoden nodig waarin beide partijen hun intentie rapporteren en waarin gedrag direct wordt geobserveerd. Speeddateontwerpen zijn hiervoor veelbelovend, juist omdat misperceptie kan worden gedefinieerd als het verschil tussen iemands inschatting en de gerapporteerde intentie van de ander (Perilloux et al., 2012). Hierbij is het noodzakelijk om niet alleen naar heteroseksuele interacties te kijken, maar naar een breed spectrum van seksuele oriëntaties.
Ten tweede is inclusie van trans en non-binaire personen essentieel. In veel sociale situaties fungeert genderpresentatie als een centraal signaal bij de interpretatie van intenties. Voor trans en non-binaire personen komen daar factoren bij zoals misgendering (aangesproken worden met het verkeerde gender), de (on)mogelijkheid om genderidentiteit veilig te delen, en veiligheidsafwegingen, die zowel signalering als interpretatie kunnen beïnvloeden.
Ten derde loont het om breder te kijken dan alleen volwassenen in uitgaanssettings. Recent ontwikkelingsonderzoek laat zien dat misperceptieprofielen in de late adolescentie veranderen en dat individuele verschillen zoals socioseksualiteit en partnerwaarde samenhangen met de kans om te over- of onderpercipiëren (Stavang et al., 2025). Het is aannemelijk dat seksuele oriëntatie en genderidentiteit ook in die ontwikkelingsfase invloed hebben op hoe signalen worden geleerd en gelezen.
Ten vierde is gemeenschapsgericht onderzoek van belang. Samenwerking met LHBTIQ+ organisaties kan helpen om onderzoeksvragen relevant te houden en om methoden te kiezen die aansluiten bij normen, ervaringen en zorgen binnen de gemeenschap. Dit verhoogt niet alleen de ethische kwaliteit, maar ook de constructvaliditeit van bevindingen uit het onderzoek.
Implicaties voor praktijk
Voor psychologen in de praktijk is de kernboodschap helder: ga niet uit van één standaardscript voor hoe mensen flirten, interesse tonen en grenzen aangeven. Vraag expliciet welke signalen cliënten als relevant zien, hoe zij intenties toeschrijven, en in welke context misverstanden ontstaan. In de spreekkamer kan het bijvoorbeeld gaan om iemand die een afwijzing interpreteert als ‘gemengde signalen’, of juist om iemand die uit angst voor een verkeerde inschatting geen toenadering meer durft te zoeken. Dan helpt het om concrete situaties stap voor stap uit te pluizen: wat gebeurde er precies, welke alternatieve interpretaties zijn er mogelijk, welke rol speelden setting, alcohol, machtsverschil of onzekerheid over oriëntatie, en hoe had expliciete communicatie eruit kunnen zien?
Voor seksuele voorlichting en consent-educatie betekent dit dat heteroseksuele bevindingen niet automatisch als norm kunnen dienen. Het is vaak effectiever om te focussen op expliciete communicatie, het toetsen van aannames en het normaliseren van onzekerheid. Dat kan heel concreet: benoem eigen intenties (‘Ik vind je leuk. Zullen we eens afspreken?’), vraag hoe de ander de situatie ziet (‘Zie jij dit als een date of als vriendschappelijk?’), en maak ruimte voor duidelijke grenzen zonder druk of interpretaties achteraf.
Conclusie
Het onderzoek naar seksuele overperceptie is empirisch rijk, maar de spreiding in onderzochte groepen naar seksuele oriëntatie, genderidentiteit en levensfase blijft beperkt. Deze eerste resultaten uit LHB-steekproeven suggereren dat patronen die vaak als universeel worden gepresenteerd, kunnen variëren met context. Als we een goed ontwikkelde wetenschap van seksuele communicatie willen, moeten we voorbij heteronormatieve aannames en binaire categorieën bewegen. De route loopt via inclusieve steekproeven, interactieve designs en theorieën die contextuele foutkosten expliciet maken.
