Iedere psycholoog weet wat het Oud-Griekse woord ‘psyche’ betekent, namelijk ‘adem’, ‘levensadem’ en ook ‘ziel’. ‘Logos’ verwijst naar kennis, dat is eveneens alom bekend. De psychologie is daarom van oudsher gericht op kennis van een ongrijpbaar principe dat iets te maken heeft met er zijn, met leven, ademen enzovoorts. Dat principe kennen we doorheen de geschiedenis vooral onder de naam ‘ziel’. Is de ziel eruit, dan is het leven weg. Wat rest is een dood lichaam.
De moderne psychologie houdt zich niet meer bezig met de ziel. Het concept is immers zo vluchtig dat er niet mee te meten valt. De beroemde vaststelling van MacDougall in 1901 dat de ziel ongeveer 21 gram moet wegen, is misschien wel de laatste serieuze poging geweest om toch objectief onderzoek te doen aan die ziel.1 Wat we niet kunnen meten, kunnen we niet weten en hoort daarom niet thuis in onze natuurwetenschappelijke opvatting van psychologie.
Nu gaat het er mij niet om een