Lees verder
Dit jaar organiseerde De Psycholoog voor het eerst een Essayprijsvraag. Het idee daarvoor kwam van Harold Bekkering, hoogleraar Sociocognitieve Neurowetenschappen aan het Donders Institute for Brain Cognition and Behaviour van de Radboud Universiteit Nijmegen en in 2018 columnist van De Psycholoog. Samen met dr. Vittorio Busato en drs. Geertje Kindermans, respectievelijk hoofdredacteur en redacteur van De Psycholoog, vormde hij de jury voor deze prijsvraag.
Chiara Staal, Denise Hanssen, Jasmijn Leduc

Juryrapport

In totaal kwamen er tien inzendingen binnen. Alle inzendingen zijn door de drie juryleden gelezen. Onafhankelijk van elkaar maakten zij een top drie. Zij lieten zich daarbij vooral leiden door of de essays verrasten en prikkelden, en door de stilistische kwaliteiten van de auteurs. Op 15 mei kwam de jury bijeen in het Nijmeegse restaurant Bistro Flores (aanrader!). De jury was unaniem over welke drie inzendingen de beste waren. Ook unaniem was de jury welke van deze inzendingen de derde prijs van 100 euro wint: Chiara Staal met haar essay De therapeutische relatie als slachtoffer van de ‘quick fix’. Na ampel beraad besloot de jury om de eerste prijs ex aequo uit te delen: Denise Hanssen en Jasmijn Leduc (naar later bleek een pseudoniem) winnen met hun respectievelijke essays Een verhaal van een psycholoog die mensen wil helpen en Een sterke psychologie voor de 21e eeuw elk de eerste prijs van 500 euro. Beide verhalen waren prima geschreven, bevatten prachtige zinnen zoals in het verhaal van Leduc: ‘Het Angelsaksisch managementmodel mag dan werken voor hamburgers en wasknijpers; mensenwerk heeft iets heel anders nodig.’ En leuke anekdotes, zoals de geschiedenis die Hanssen beschrijft over de appeltjesgroene Volkswagen. Waar Hanssen wat persoonlijker bleef en speels frisse begrippen introduceerde als intermensualiteit, viel het verhaal van Leduc juist op doordat dat het veld meer met een helicopterview bezag. Terechte winnaars, kortom, die we met plezier alle drie publiceren.

Het voornemen is om, in samenspraak met het Donders Institute for Brain Cognition and Behaviour, van deze Essayprijsvraag een jaarlijkse traditie te maken. (HB, VB & GK)


Gedeelde eerste prijs essayprijsvraag

Een verhaal van een psycholoog die mensen wil helpen

Waarom Psychologie?

Mensen helpen was de belangrijkste reden om in 2004 vanuit Zuid-Limburg naar Nijmegen te verhuizen voor een studie psychologie. Dat heb ik zelfs zwart op wit staan in een essay dat ik schreef over ‘Ik en de toekomst’ tijdens mijn eerste studiejaar. Ik kreeg een Zeer Goed voor dat verslag, dus ik denk dat de enthousiaste docent het ermee eens was dat mensen helpen een goede reden is om psycholoog te willen worden.

Toen ik ruim vier jaar later als afgestudeerd psycholoog aan dezelfde universiteit werkte waar ik gestudeerd had en eerstejaars studenten begeleidde, moest ik zelf dit soort essays beoordelen. Het antwoord mensen helpen op de vraag waarom psychologie? stond me altijd een beetje tegen. Misschien omdat het toch wel cliché is dat je vooral psychologie gaat studeren voor de ander. Of omdat ik niet zag hoe ik met al die theoretische kennis uit de opleiding uiteindelijk mensen zou moeten gaan helpen.

De ironie van het leven wil dat ik op dit moment toch mensen probeer te helpen als psycholoog, zowel direct in de patiëntenzorg als indirect als onderzoeker. Dat mensen helpen blijkt af en toe knap lastig: psychologische theorieën veranderen sneller dan ik ze bij kan houden. Wat er van onderzoekers verwacht wordt, is mij na meerdere onderzoeksjaren nog steeds onduidelijk. De werkwijze van psychologen om mij heen verandert – al dan niet omdat organisaties veranderen. De patiënten die ik zie, laten telkens weer dezelfde klachten zien, maar in een ander jasje. En dan heb ik het nog niet over veranderingen in mijzelf: wat ik zelf denk, doe en wil als psycholoog. Dat samen is niet niks voor iemand die simpelweg mensen wilde helpen een jaar of tien geleden.

Toch denk ik dat het zelfs de beginnende psycholoog lukt om een weg te vinden in de psychologie, zolang je de verhalen maar begrijpt. Laat me dit uitleggen.

Dé psycholoog bestaat (niet)

Mensen helpen, dat kan je als psycholoog op veel manieren. Bijvoorbeeld door anderen te doceren over hoe ze mensen kunnen helpen, door het doen van wetenschappelijk onderzoek, of door patiënten direct te helpen in patiëntenzorg. Over al deze werkzaamheden krijg je aan de universiteit een beetje geleerd, maar net niet genoeg om er ook echt iets mee te kunnen in de dagelijkse werkpraktijk. De universiteit maakt naar mijn idee vooral nieuwsgierig naar wat je verder zou kunnen en willen ontwikkelen als psycholoog. Wil je als docent aan de slag gaan? Behaal dan je basiskwalificatie onderwijs. Wil je onderzoek doen? Zoek een promotieplek. Wil je patiënten helpen? Dan is een registratie in het BIG-register heel wenselijk. Je zou haast het idee krijgen dat er niet zoiets bestaat als dé psycholoog.

Na het afronden van de eerste twee jaren van de studie psychologie, werd ik dan ook verleid door een oude liefde. Een studie literatuurwetenschap voedde mijn behoefte aan boeken en verhalen. Ook kreeg ik er de houvast waar ik naar zocht: waar de psychologie bestaat uit een wirwar aan theorieën die telkens bijgesteld worden, bleek er in de literatuurwetenschap al tientallen jaren één heersende theorie te zijn over de betekenis van verhalen, namelijk die van de intertekstualiteit.1 Een tekst wordt in deze theorie gezien als een knooppunt van andere teksten. Of, zoals bedenker Julia Kristeva het beschreef: ‘Een tekst kan alleen begrepen worden aan de hand van andere teksten.’

De combinatie van psychologie en literatuurwetenschap zette me aan het denken: eigenlijk zijn wij, psychologen, sterren in intermensualiteit. We zoeken verbindingen tussen mensen als we groepsdynamica proberen te begrijpen. We zoeken verbindingen binnenin mensen, als we luisteren naar de verhalen van mensen en proberen te begrijpen hoe de angst, depressie of psychose in die verhalen passen. En we zoeken verbindingen op postzegelniveau, als we netwerken in het brein proberen op te sporen. Of als we met experimenten proberen te onderzoeken of A nou echt een andere uitwerking heeft op een mens dan B. Intermensualiteit, kunnen we dáár onze studenten psychologie niet in onderwijzen?

De appeltjesgroene Volkswagen

Na drie afgewezen sollicitatiebrieven mocht ik eindelijk op gesprek komen voor een promotieplek. Dolblij was ik toen ik de plek kreeg en nog gelukkiger was ik toen het boekje zes jaar later af was. Als er een prijs zou bestaan voor het minst geliefde onderwerp voor proefschriften, zou mijn proefschrift over onverklaarde lichamelijke klachten bij oudere volwassenen ongetwijfeld winnen. Natuurlijk leerde ik tijdens het uitvoeren van mijn promotieonderzoek veel over psychosomatiek, over data verzamelen, statistische analyses draaien en papers schrijven. Maar mijn meest waardevolle ervaringen bevonden zich buiten de normale leerdoelen van een promotietraject.

Psychologische theorieën veranderen sneller dan ik ze bij kan houden

Voor mijn onderzoek bezocht ik namelijk 275 oudere volwassenen met onverklaarde lichamelijke klachten thuis om een heleboel meetinstrumenten af te nemen, soms wel twee keer drie uur lang. Tussen de metingen door hoorde ik de interessantste verhalen die ik nooit met mijn vragenlijsten had kunnen vangen. Onze oudste deelneemster van 94 jaar liet mij bijvoorbeeld haar als nieuwe appeltjesgroene Volkswagen oldtimer zien in de garage onder haar appartement. Zelfs als niet-oldtimer-liefhebber vond ik hem prachtig. Ze had hem gekocht van het salaris dat ze verdiend had als lerares. Dat was heel wat in haar tijd: studeren als vrouw en ook nog eens je eigen levenskosten kunnen betalen. De appeltjesgroene Volkswagen stond symbool voor het leven dat voorbij was, nu ze een nieuw leven in was gegaan vol lichamelijke klachten en afhankelijkheid. Er was niemand aan wie ze de appeltjesgroene auto kon doorgeven.

Dat soort verhalen hoor je niet als je als onderzoeker alleen vanachter je bureau statistische analyses draait.

De last op pijnlijke schouders

De thuisbezoeken uit mijn promotieonderzoek leidden ertoe dat ik méér verhalen wilde horen. Ik rondde daarom de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog af en werk sindsdien in de universitaire polikliniek ‘Soma en Psyche’ van het noordelijkste academische ziekenhuis van Nederland. Opnieuw zie ik patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten, maar nu wordt er van mij verwacht dat ik de verhalen niet alleen observeer, maar ook dat ik – samen met de patiënt – de betekenis van deze verhalen in positieve zin probeer te veranderen. Werkend vanuit het zogenaamde biopsychosociale model2 probeer ik lichamelijke, psychologische en sociale verhaallijnen in verband te brengen met de huidige lichamelijke klachten.

Niet lang geleden zag ik bijvoorbeeld een wat oudere patiënt die onverklaarde, maar zeer ernstige, buik- en nekklachten had. Werken ging niet meer, het UWV hijgde in zijn nek en zijn relatie – een huwelijk van bijna veertig jaar – stond onder druk. Pas toen we samen begrepen hoe fysiek geweld in zijn jeugd ervoor gezorgd had dat hij van zichzelf altijd moest doorgaan zonder te klagen, zelfs bij lichamelijke klachten van hem en zijn vrouw, konden we beiden begrijpen waarom hij nu letterlijk zo’n zware last op zijn schouders had rusten.

Omgekeerd vind ik die patiënten het moeilijkst te behandelen, van wie de verhalen inconsistent of onbegrijpelijk zijn. Laten we studenten psychologie daarom niet alleen behandeltechnieken leren, maar ook leren om oog te houden voor het grotere geheel. Zelfs voor de meest onsympathieke patiënt kun je namelijk empathie voelen als je zijn of haar verhaal begrijpt. We hebben bovendien, als psychologen, allerlei methoden ontwikkeld waarmee we patiënten nog beter kunnen begrijpen, zoals neuropsychologische taken, vragenlijsten, (semi)gestructureerde interviews of assessments. Toch krijgen de resultaten van deze instrumenten pas betekenis wanneer ze in verband gebracht kunnen worden met het verhaal van de patiënt.

De psycholoog van de toekomst?

De psycholoog van de toekomst, die zou dus een ster in intermensualiteit moeten worden. Die ziet de verbindingen tussen verhalen van mensen, begrijpt de betekenis van deze verhalen en plaatst deze verhalen in het grotere geheel om mensen beter te kunnen helpen. Dit idee is wellicht niet nieuw: het raakt sterk aan concepten als de helikopterview aannemen en patroonherkenning; ook werd de kracht van verhalen al eerder beschreven.3 Maar hoe kunnen psychologiestudenten dit leren?

De mogelijkheden zijn eindeloos en makkelijk toe te passen. Zorg dat het onderwijs doordrenkt is van verhalen: laat niet alleen wetenschappers les geven, maar nodig ook clinici en patiënten uit om hun verhalen te delen. Zelfs in research masters. Leer studenten niet alleen om met de welbekende IMRaD-structuur een verhaal te vertellen, maar laat ze ook eens een essay schrijven. Niks zo erg als een hele dag saaie praatjes aanhoren op een wetenschappelijk congres: storytelling kan net zo goed in de wetenschap toegepast worden als dat dit in de marketing gebeurt. Laat studenten kwalitatief onderzoek doen als aanvulling op kwantitatief onderzoek, om zo de betekenis van de cijfers beter te leren begrijpen. Leer studenten om behandelprotocollen toe te passen, maar ook om de klachten van patiënten te begrijpen vanuit het bredere verhaal van de patiënt.

Dat is nodig, als wij, psychologen, écht mensen willen helpen.

Over de auteur

Denise Hanssen studeerde psychologie aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Daar deed zij ook promotieonderzoek en volgde ze de opleiding tot gz-psycholoog in het Radboudumc te Nijmegen op de polikliniek Psychiatrie. Momenteel is zij werkzaam als postdoctoraal onderzoeker en gz-psycholoog op de polikliniek Soma en Psyche, onderdeel van Universitair Centrum Psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Groningen.


Gedeelde eerste prijs essayprijsvraag

Een sterke psychologie voor de 21e eeuw

Meer dan een eeuw geleden wist Gerard Heymans (1857-1930) wel waar het naartoe zou gaan met die nieuwe, veelbelovende wetenschap psychologie. Ze zou mensen rationele inzichten geven die veel van hun misère zouden kunnen oplossen. Ze zou ouders kunnen helpen hun kinderen op te voeden, leraren voorzien van gereedschappen beter onderwijs te geven, en mensen zouden in algemene zin meer van elkaar begrijpen, wat conflicten zou helpen voorkomen. In het algeheel lag een betere, meer efficiënte en meer gelukkige toekomst voor het oprapen. Heymans ging er voor het gemak wel van uit dat rationele inzichten vanzelf zouden leiden tot concrete gedragsveranderingen.

Inmiddels weten we wel een beetje beter. De psychologie heeft zonder meer belangrijke inzichten voortgebracht, en inderdaad ook rond opvoeding, onderwijs en conflicthantering. Maar we hebben de afgelopen eeuw ook geleerd dat mensen lang niet altijd datgene doen wat rationeel of verstandig is. Kortetermijndenken, automatismen, gemakzucht, voorkeuren en vooroordelen zijn evenzoveel motieven die onze redelijke overwegingen links en rechts kunnen inhalen. We weten uit psychologisch onderzoek dat dit vaak onbewust of zonder enig besef gebeurt. Maar automatismen of impliciete voorkeuren controleren is ons tegelijk nog niet overtuigend gelukt.

Modern times revisited?

Dat de mens vaak hardnekkig en tegen beter weten in blijft handelen, is een belangrijke les. We kunnen maar beter leren om er zo goed mogelijk mee om te gaan. Daar ligt meteen al een taak voor de toekomstige psychologie. Want ofschoon we niet altijd rationeel zijn, hebben we op veel plekken wel een samenleving gecreëerd die uitgaat van berekenend en zelfs berekend gedrag. Dat moest wel tot problemen leiden.

Dat de mens vaak hardnekkig en tegen beter weten in blijft handelen, is een belangrijke les

En problemen zijn er, bijvoorbeeld in het werk. Het is geen nieuws dat cijfers in vrijwel alle grote bedrijven en organisaties leidend zijn voor de werkzaamheden, de winstcijfers voorop. Als je door je oogharen kijkt, dan wordt daar à la Frederick Taylor (1856- 1915) nog steeds alles berekend op efficiëntie en maximale winst. De psychologie heeft ons dan ook wel weer geleerd dat werknemers beter tot hun recht komen bij eigen regie en afwisseling; de realiteit anno 2019 is echter dat op veel werkplekken de autonomie steeds verder afneemt en dat afwisseling alleen nog gevonden wordt in een steeds omvangrijker takenpakket.

Burn-out en verzuim vormen mede daarom een dijk van een probleem in Nederland, en daarbuiten soms nog meer. Het is natuurlijk funest voor de mensen die het overkomt maar ook voor de efficiënt ingerichte instellingen. Valt de psychologie hier niet ook iets te verwijten? Ze signaleert desgevraagd wel problemen en vertelt hoe het anders zou moeten; maar faciliteert ze niet tegelijkertijd ook de wanverhoudingen door werknemers in kortlopende trajecten en met een dosis mindfulness weer op de been te hijsen? Verandert er dan iets voor die werknemers? Niet echt natuurlijk.

Maat houden

Vergelijkbare problemen zijn er zoals bekend ook in de zorg, de publieke sector en de scholen. De efficiënte methoden die achter de pc zo knap werden ontworpen en doorgerekend, lopen in de praktijk stuk doordat mensen zich er maar niet naar kunnen of willen voegen. Vervolgens is het aan psychologen om iets aan dat onvermogen van werknemers of leerlingen te doen.

Maar waarom plaatsen wij psychologen – als beëdigd hoeders van in ieder geval de mentale gezondheid – niet ook luid en duidelijk alternatieven tegenover een haast louter economisch gemotiveerde inrichting van onze samenleving? Het Angelsaksisch managementmodel mag dan werken voor hamburgers en wasknijpers; mensenwerk heeft iets anders nodig. Aandacht bijvoorbeeld, en tijd. En meer algemeen weten we al minstens sinds de Oude Grieken dat mensen gedijen wanneer ze zelf nog de maatstaf zijn. Welke discipline is nu beter toegerust dan de psychologie om daar een punt van te maken; niet alleen lokaal in een cursus of training, maar ook op landelijk politiek niveau?

Door psychologie geïnformeerd beleid

Dan moet de psychologie wel weer verder willen reiken dan het inrichten van een werkplek, het motiveren of diagnosticeren van individuele mensen, of het uitdokteren van technieken om bijvoorbeeld gezond ouder te worden. Hoe nobel en belangrijk deze taken ook zijn, het is ook een taak van de psychologie om mee vorm te geven aan de maatschappij; net zo overtuigend en net zo vaak als politici, economen en CBO’s, die nu haast exclusief opeisen hoe zij het willen.

Met enige regelmaat verschijnt onderzoek waaruit blijkt dat geluk en zingeving samenhangen met acceptatie van wat je hebt, en niet zozeer met een voortdurende vermeerdering van wat je bezit of wat je vermag. Eerlijk verdelen levert ons in deze zin meer op dan maximaal eigen gewin. Maar toch lijkt vaak zowat ons hele leven ingericht op het tegendeel. Het volstaat niet meer om mensen alleen maar te wijzen op wat verstandig en gezond is. Als geen ander kunnen toekomstige psychologen, onderbouwd en met autoriteit, ijveren voor een samenleving die iedereen faciliteert.

Technologie

Het bewaken van de menselijke maat dreigt om nog een andere, voor de hand liggende reden een belangrijk vraagstuk te worden in onze nabije toekomst. We hebben technieken ontwikkeld die veel van onze taken kunnen overnemen. We hebben zelfs technieken ontwikkeld die zichzelf tamelijk onafhankelijk van ons kunnen door-ontwikkelen. Technologie helpt om onze kennishorizon gigantisch te verbreden, brengt informatie en andere mensen vaak aangenaam dichtbij, en is onmisbaar om ons gezond te houden. Maar we kunnen niet altijd goed overzien wat onze precieze rol is te midden van deze innovaties.

Wat brengt bijvoorbeeld artificiële intelligentie (AI)? Is het een zegen en maakt het ons leven nog gemakkelijker? Of neemt het de regie van ons over, en weten wij straks nog minder wat we met al onze nieuwe prikkels aan moeten? Het zal wel van alles wat zijn. Maar waar we alvast op kunnen rekenen, is dat nieuwe technologie nieuwe en complexe psychologische vraagstukken voor ons opwerpt. AI doet voorlopig nog niet aan geluk en zingeving, maar de mens kan niet zonder. Hoe gaan we daar vorm aan geven?

Een psychologie als verdedigster van matiging en verbinding is daarom misschien noodzakelijker dan ooit tevoren. Want nu al kampen we met moeilijkheden die we twee decennia terug niet hadden kunnen vermoeden. Wie had gedacht dat we ons eenzaam zouden kunnen voelen terwijl we de hele wereld voortdurend in onze broekzak hebben?

Ministerie van psychologie

Er zijn natuurlijk genoeg mensen die zelf wel invulling geven aan hun geluk, gezondheid en zingeving. De positieve psychologie laat het zien. Niet voor niets zijn mindfulness, yoga en gezond eten populair – bij wie het zich kan veroorloven tenminste. Er zijn ook genoeg mensen die zelf een kleine gemeenschap weten te creëren van vrienden of bekenden om af en toe lief en leed te delen. En in de zorg en soms ook in het onderwijs zetten we steeds vaker dieren in voor een beetje gezelschap en liefde. Dat zijn lokale oplossingen die hun functie vaak goed vervullen. Daar is geen Ministerie van Psychologie voor nodig.

Maar toch kun je je afvragen of we niet voortdurend extra verkeersborden plaatsen bij een kruising die gewoon verkeerd is aangelegd, zoals wijlen Piet Vroon (1939-1998) het waarschijnlijk zou hebben gezegd. Is het niet vreemd dat we zo veel moeten compenseren, lichamelijk en geestelijk, voor wat we in ons werk tekortkomen? Is het niet cru dat we met de nodige reistijd exclusieve groepjes formeren voor onszelf, terwijl we het gemeenschaps- en verenigingsleven in de buurt veronachtzamen? En is het niet treurig dat we dieren nodig hebben om nog enige aandacht en liefde te schenken aan onze medemensen? Dieren kunnen dat overigens prima, robots in toenemende mate ook, maar menselijk is het op de keper beschouwd niet meer. Ook dit zijn fenomenen waarover hoogopgeleide psychologen zich tot nu toe nauwelijks druk maken, althans in het publieke domein. Waarom eigenlijk niet?

Onderwijs

Een psychologie die meer wil doen dan brandjes blussen in behandelruimtes, scholen en organisaties, heeft méér nodig dan wat in de huidige, korte universitaire opleidingen wordt geboden. Het leeuwendeel van de studietijd gaat immers op aan het leren van basale onderzoekstechnieken, voorbereidende diagnostische vaardigheden en basiskennis van thema’s in de diverse afstudeer richtingen.

‘Het echte vak moet je toch in de praktijk leren’, zou je kunnen tegenwerpen. Maar waarom maken we voor het vak in de praktijk niet veel meer gebruik van de HBO’s dan nu het geval is? Veel protocollair werk in de ggz en veel toegepast onderzoek in organisaties kan bijvoorbeeld prima worden onderwezen in het beroepsgerichte onderwijs. In het academisch onderwijs komt dan ruimte om, naast fundamenteel onderzoek, weer aandacht te besteden aan verbreding en verdieping van de psychologie. Want een kritische en richtinggevende rol in het publieke domein – wat Heymans en andere founding fathers toch voor ogen hadden – is sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw opvallend afwezig.

Zelfs een kritische reflectie op haar eigen functioneren ontbreekt in de hedendaagse psychologie. Dat zal mede zijn ingegeven door de voortdurende druk om te publiceren en anderszins te scoren, waaraan ook de universiteiten niet weten te ontkomen. Maar als er toch één discipline is die gefundeerd tegenwicht kan bieden aan een over-gerationaliseerde en door economie gedomineerde inrichting van de samenleving… Heymans zou het in deze tijd wel geweten hebben.

Over de auteur

Jasmijn Leduc is het pseudoniem van cultuurpsycholoog dr. Theo Verheggen. Als schrijver/ redacteur is hij actief buiten de academische wereld, die hij in 2017 vrijwillig verliet. Verheggen ziet nog steeds toekomst voor de psychologie.


Derde prijs essayprijsvraag

De therapeutische relatie als slachtoffer van de quick fix

Op het platform Brainwash beschreef de Belgische psychiater Dirk de Wachter onlangs hoe eenzaamheid op dit moment een belangrijk thema vormt in zijn werk als psychiater. Ondanks dat we elk moment van de dag contact met elkaar kunnen opnemen, lijken deze gevoelens van eenzaamheid bij een groeiende groep patiënten te overheersen. De Wachter verwoordt deze tegenstelling als volgt: ‘Ik denk dat in het echt ontmoeten noodzakelijk is voor de mens. Elkaar zien, elkaar vastpakken, elkaar de hand geven, elkaars vel voelen, elkaar in de ogen kijken; dat is een fundamentele noodzaak om te kunnen bestaan.’4

Ondertussen omarmen onderzoekers allerhande hippe en ‘innovatieve’ behandelingen via een digitale omgeving, of andere kortdurende en laagfrequente behandelingen die het contact met de therapeut minimaliseren en aandacht voor de context van de klachten in de verdrukking brengen. Het is begrijpelijk dat de stortvloed aan mogelijkheden op digitaal gebied interesse wekt en dat men onder druk van een vraag naar kostenbesparing behandelingen steeds verder inkort. Tegelijkertijd kan echter getwijfeld worden aan de bijdrage van dergelijke behandelvormen. Wezenlijk contact tussen patiënt en therapeut wordt schaarser, terwijl patiënten juist behoefte hebben aan verbinding: de quick fix wordt verkozen boven duurzaam herstel. De psycholoog van de toekomst moet niet verder blijven rennen in de richting van vernieuwing en efficiëntie als dit betekent dat fundamentele principes uit de psychologische wetenschap de rug toe worden gekeerd.

De patiënt heeft toch geen relatie met een therapeut?

Intrekken registratie

Voordat ik begon aan mijn studie, had ik nog nooit gehoord van het begrip ‘therapeutische relatie’. Het klonk mij aanvankelijk ook wat vreemd in de oren: de patiënt heeft toch geen relatie met een therapeut? En als dat wel zo is, is dat niet voldoende reden tot het intrekken van de registratie van de betreffende therapeut?

Al gauw werd echter duidelijk waar men met deze term op doelde. De therapeutische relatie is geen verhouding zoals met een partner, een goede vriend(in) of een familielid, maar een relatie waarbinnen betekenisverlening met betrekking tot het psychisch leven van de patiënt kan plaatsvinden.5 Het belang van deze relatie werd reeds aangestipt door Freud en geldt inmiddels als een breed geaccepteerd fenomeen binnen allerlei referentiekaders van de psychologie.

Een positieve therapeutische relatie lijkt flink bij te dragen aan het succes van de therapie; er gaan zelfs stemmen op voor het idee dat juist deze relatie – en niet de specifieke factoren die kenmerkend zijn voor een bepaalde interventie – positieve veranderingen bij de patiënt bewerkstelligt. Ongeacht van welk specifiek theoretisch kader men uitgaat, geldt de therapeutische relatie als belangrijke of zelfs cruciale factor in het teweegbrengen van positieve veranderingen bij de patiënt. De patiënt voelt zich verbonden met de ander, in dit geval de therapeut, wat de patiënt in staat stelt tot betekenisverlening en verlichting van ervaren klachten.

Eenzaamheid

Het belang van de therapeutische relatie lijkt nauw samen te vallen met het probleem van eenzaamheid: elkaar kunnen zien, zoals De Wachter omschrijft, is essentieel voor het slagen van de therapeutische relatie. Eenzaamheid en bijbehorende klachten stippen de behoefte aan verbinding aan. Sterker nog, wanneer een patiënt aanklopt bij een therapeut met gevoelens van eenzaamheid en isolatie is hier mogelijk sprake van een indirect appel op de therapeut om deze gevoelens te verlichten. De patiënt is op zoek naar begrip, verbinding en een manier om medeleven te ervaren. Deze behoefte aan verbinding en medeleven lijkt in de huidige maatschappij niet voldoende bevredigd te worden.

Een in dit kader interessante observatie, tevens uit Belgische hoek, betreft het boek Identiteit van psychoanalyticus en hoogleraar Paul Verhaeghe. Verhaeghe benoemt, net als de Wachter, dat thema’s als eenzaamheid, gerelateerde angsten en sombere gevoelens tegenwoordig de boventoon voeren. Volgens Verhaeghe valt dit gedeeltelijk toe te schrijven aan de drang in de huidige samenleving om vooral te streven naar een uniek ‘ik’ in plaats van het ‘ik’ in relatie tot anderen, wat ten koste gaat van de verbinding met de ander: dit terwijl wij deze ander juist nodig hebben.

De observaties van zowel de Wachter als Verhaeghe snijden hout. In de huidige samenleving lijkt de nadruk te zijn verschoven naar de concurrentie met anderen, in plaats van de verbinding met dezelfde anderen. De maatschappij wordt immers niet zelden omschreven als een ratrace, waarbij vooral sprake is van de behoefte – en mogelijk ook noodzaak – om elkaar continu te overtreffen. Deze concurrentie gaat, in lijn met de stelling van Verhaeghe, gepaard met een verlies aan verbinding en leidt tot gevoelens van sociale isolatie en eenzaamheid.6 In deze concurrerende en eenzame wereld zou juist de therapeutische relatie kunnen voorzien in de gemiste verbinding.

Zoals eerder omschreven en benoemd is het belang van de therapeutische relatie geen controversiële stelling, maar een breed gedragen idee in de psychologie. Het valt zodoende te verwachten dat alle behandelingen, of in ieder geval het grootste deel, deze waardering voor de relatie duidelijk naar voren laten komen.

Gevoel van verbinding

Eerder haalde ik al het begrip E-health aan, een tak van sport die op ditmoment veel interesse geniet. Een snelle blik op Google Scholar leert dat het aantal artikelen met de trefwoorden ‘E-health’ en ‘psychotherapy’ in de afgelopen jaren explosief is toegenomen. Zo is het aantal artikelen met deze trefwoorden tussen 1950 en 2005 – om het voor de zekerheid ruim te nemen – 677. Tussen de jaren 2006 en 2019 gaat het om 6030 publicaties. Om het verder te verhelderen, in het jaar 2019 – wat op het moment van schrijven krap drie maanden aan de gang is – geeft de database al 213 resultaten. Men kan met gerust hart concluderen dat E-health ‘hip, hot and happening’ is.

Naast deze deels digitale behandelingen bestaan uiteraard ook veel niet-gecomputeriseerde behandelingen. Een groot deel hiervan wordt echter gekenmerkt door het kortdurende en laagfrequente karakter. De patiënt wordt geacht om binnen een beperkt aantal sessies te verbeteren of zelfs te herstellen; het therapeutisch contact wordt zodoende geminimaliseerd. Bovendien lijkt niet de relatie, maar de specifieke techniek centraal gesteld te worden. Denk hierbij aan zaken als ‘cognitieve herinterpretatie’ of ‘gedragsactivatie’. Hierbij ligt de focus vooral op de individuele patiënt en zijn of haar klachten, terwijl de context achterwege wordt gelaten. De vraag reist, hoe staat dit in verhouding tot de therapeutische relatie en – belangrijker nog – het behandelsucces?

Bij het beantwoorden van deze vraag lijken zich twee belangrijke problemen voor te doen. Ten eerste lijkt, zoals eerder aangehaald, juist het echte contact – en dan niet via een scherm – cruciaal voor het ervaren van verbinding en het verlichten van de eenzame gevoelens. Contact via een scherm hoeft niet uitgebannen te worden, maar behoort met meer argwaan benaderd te worden dan nu het geval is. Begrijp me niet verkeerd, ik begrijp de aantrekkingskracht; het is immers een goedkopere manier van zorg bedrijven.

Tegelijkertijd is het maar de vraag of wij als mensen een gevoel van verbinding kunnen ervaren wanneer wij de ander niet, of nauwelijks, zien. Het aanbieden van modules in een digitale omgeving geldt mogelijk als een manier om bepaalde vaardigheden aan te leren, maar het is ten zeerste de vraag of dit bijdraagt aan het verminderen van de fundamentele gevoelens van isolatie en eenzaamheid die de boventoon voeren. Het valt bovendien te betwijfelen of het mogelijk is een adequate therapeutische relatie aan te gaan binnen een digitale omgeving, hetgeen zou moeten leiden tot voorzichtigheid in het pretenderen dat dergelijke behandelingen perspectief bieden voor de toekomst.

Ten tweede lijkt een korte behandelduur in veel gevallen niettoereikend.7 Met andere woorden: door deze kortdurende behandelingen helpen we de patiënten van de regen in de drup tot een nieuwe storm zich aandient en de patiënt opnieuw overspoeld raakt.

Droog

Zowel in zorg als onderwijs verschuift de nadruk steeds verder naar kortdurende, laagfrequente en op de klachten gerichte behandelingen. De context van de klachten en de rol die de therapeutische relatie in het herstel zou kunnen vervullen worden hiermee grotendeels uit het oog verloren. Juist in tijden van eenzaamheid en isolatie zou deze relatie als springplank en mogelijk helend mechanisme kunnen dienen. Het aan kunnen gaan van deze relatie lijkt belangrijker dan het kunnen toepassen van enkele technieken, waarbij de mens die tegenover ons zit wordt gereduceerd tot zijn of haar klachten.

Nieuwe ontwikkelingen –waaronder ontwikkelingen op het gebied van E-health – moeten zodoende kritischer bekeken worden dan nu het geval is. Deze technieken moeten niet worden aangewend om de zorg efficiënter te maken, wanneer het onduidelijk is in hoeverre deze interventies een wezenlijke bijdrage leveren aan het welzijn van de patiënten. Het heeft geen zin om studenten enkel ‘droog’ aan te leren welke technieken zij kunnen inzetten; wij zullen moeten leren hoe de verhouding tussen ons alstoekomstig psycholoog en de patiënt opgebouwd en ingezet kan worden.

Studenten van nu zijn de psychologen van de toekomst, maar het is sterk de vraag of deze toekomstige psychologen kunnen voorzien in de behoeften van de patiënten wanneer de opleiding – net als het onderwijs – wordt gereduceerd tot efficiëntie en het bewerkstelligen van een quick fix.

Over de auteur

Chiara Staal volgt de master Gezondheidszorgpsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Haar persoonlijke interesses gaan uit naar de klinische (ontwikkelings-) psychologie, psychoanalytische theorievorming en psychoanalytische behandelvormen.


 

Illustraties: Chiara Arkesteijn

1. Kristeva, J. (1986). Word, Dialogue and Novel. The Kristeva Reader (Ed. Toril Moi). Oxford: Basil Blackwell.

2. George, E. & Engel, L. (1980). The clinical application of the biopsychosocial model. The American Journal of Psychiatry, 5, 535-544.

3. Bohlmeijer, E., Mies, L. & Westerhof, G. (2007). De betekenis van levensverhalen. Theoretische beschouwingen en toepassingen in onderzoek en praktijk. Houten: Bohn, Stafleu & van Loghum.

5. Gomperts, W. (2015). Psychoanalyse in Vogelvlucht. Amsterdam: Nederlands Psychoanalytisch Instituut.

6. Verhaeghe, P. (2012). Identiteit. Amsterdam: De Bezige Bij.

7. Blatt, S. J. & Lens-Gielis, H. (2005). Theory and Treatment in Depression: Towards a Dynamic Interactionism Model. Leuven: Leuven University Press.