Log in
Mijn vader vertelde graag aan alle bezoekers rondom zijn sterfbed hoe mooi zijn leven was geweest. Als veertienjarige moest hij bij de boer aan het werk, aardappels rooien. Op zijn achttiende gooide hij echter zijn Drentse eerappelkrabbers weg en werd hij aangenomen bij de landelijke marechaussee. Op zijn sterfbed was het op. ‘Ik kan niet meer.’
Harold Bekkering

Bij mijn moeder aan tafel zie ik het grote verdriet dat zijn overlijden heeft achtergelaten. ‘Ja, mooi makkelijk, “ik kan niet meer”. Hoezo niet? Hij had toch wel gewoon een paar jaar in een bed kunnen liggen, dat doen anderen ook. Hoe is hij eigenlijk zo snel doodgegaan?’ Mijn moeder snijdt een gevoelig punt aan. Alle organen van mijn vader lieten het afweten: hart, longen en nieren. Hij is met spoed in het holst van de nacht per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Uiteindelijk is hij mede door pijnmedicatie aan zijn einde gekomen. Ik was erbij in zijn laatste nacht. Hij was totaal rustig in zijn hoofd, maar in zijn lichaam woedde een heftige doodsstrijd. Blijkbaar heeft het lichaam een wil op zich. Of misschien is levensdrang wel beter gezegd: niet opgeven. Door blijven ademen! Ik volgde dit gevecht de hele nacht verbouwereerd. Zo veel vrede in zijn hoofd en zo weinig in zijn lichaam. Ook nu denk ik hier…