Summary

THE TRANSITION FROM PRIMARY TO SECONDARY EDUCATION: WHO KNOWS BEST, THE TEACHER OR THE TEST?

K. LEK & R. VAN DE SCHOOT

Before 2014, the end of primary school test (EPST) played an important role in the transition from primary to secondary education in the Netherlands. Since 2014, teacher advice has become leading in this transition, decreasing the infl uence of the EPST. This decreasing influence of the EPST led to a heated debate amongst scientists and the general public, which still continues today. Using longitudinal data from the 2014 school leavers, we investigated whether the teacher or the EPST more accurately predicted the current placement of these pupils. We concluded that the EPST more accurately predicted the placement of pupils in the higher segments of secondary education, whereas the teacher was more accurate for the pupils in the lower and – to a lesser extent – middle segments of secondary education.

Lees verder
In 2015 werd het docentadvies leidend bij de plaatsing van leerlingen in het voortgezet onderwijs. De invoering van deze maatregel is nog altijd omstreden, getuige vurige discussies onder wetenschappers en in de media. De prangende vraag is: wie weet het beter, de docent of de Centrale eindtoets? Met behulp van longitudinale gegevens van het CBS (N=119.751) vonden Kimberley Lek en Rens van de Schoot dat niet één van de twee altijd superieur is aan de ander. ‘Wij stellen voor het docentadvies en Centrale eindtoetsadvies te combineren.’

Inleiding

In de overgang van het primair onderwijs (PO) naar het voortgezet onderwijs (VO) was het voorheen gebruikelijke praktijk om het advies van de Eindtoets Basisonderwijs van Cito over te nemen. Met ingang van het schooljaar 2014-2015 is bij de onderwijsinschrijving in het voortgezet onderwijs het docentadvies van de basisschool leidend geworden met een verplichte afname van een eindtoets als onafhankelijk tweede gegeven (zie Toetsbesluit PO, 2014).1 Met dit besluit is de rol van de toets kleiner geworden bij de bepaling van het advies voor leerlingen richting het VO.

Niet iedereen was enthousiast. Zo schreven Niessen en Meijer dat de leerkracht ‘geen meetinstrument is’. Zij argumenteerden dat leerkrachten, net als elk ander mens, ‘vaak niet zo goed zijn in het wegen van informatie om tot een juiste beslissing te komen’ (NRC.next, 15 april 2016)8. Om te voorkomen dat leerlingen op een schooltype terecht komen dat geen recht doet aan hun capaciteiten (‘onderadvisering’), werd ouders de mogelijkheid geboden de school om heroverweging te vragen als het advies gebaseerd op de Eindtoets van hun kind(eren) hoger uitviel dan het docentadvies. De Kamerbrief ‘Eerste inzichten Wet Eindtoetsing PO’ (4 december 2015) bracht echter naar voren dat bij slechts 1 op de 6 leerlingen het docentadvies daadwerkelijk werd aangepast (zie ook Korpershoek et al., 2016)6. Het gevolg? Spanningen tussen ouders, PO- en VO- scholen (zie de Kamerbrief ‘Overgang van primair naar voortgezet onderwijs’, 2 juli 2015) en een groeiende ongelijkheid tussen ‘even slimme’ leerlingen van mondige, hoogopgeleide ouders, enerzijds, en die van laagopgeleide ouders anderzijds (‘De staat van het onderwijs’, Inspectie van het Onderwijs, 2018; Van Spijker, Van Der Houwer & Van Gaalen, 2017)419.

Positieve geluiden waren er ook. Kamerman en Vasterman haalden bijvoorbeeld het veelgehoorde argument aan dat de toets slechts een ‘momentopname’ is en de leerkracht een ‘breder beeld’ heeft (‘De leerkracht weet het vaak écht beter dan de Citotoets’, Kamerman & Vasterman, 30 maart 2015)5. En een studie door Feron, Schils & Ter Weel (2015)2 suggereerde dat het docentadvies een betere voorspeller is voor waar leerlingen uiteindelijk geplaatst worden in het derde leerjaar van het VO dan de toets. Kanttekening was dat de studie van Feron et al. (2015) gebaseerd is op gegevens van vóór de wetswijziging. Docenten in hun studie hadden dus inzage in de toets vóórdat zij hun docentadviezen formuleerden. Na de wetswijziging van 2014-2015 is de afname van de toets naar achteren verplaatst, waardoor de docent zijn of haar advies formuleert voor het toetsmoment. Of het docentadvies ook een betere voorspeller is wanneer docenten geen toegang hebben tot het toetsresultaat, bleef dus de vraag.

Inmiddels zijn we ruim drie schooljaren verder. In plaats van speculeren en discussiëren is er nu data beschikbaar om de voorspellende waarde van het docentadvies daadwerkelijk te onderzoeken. Zo is nu de huidige plaatsing in het derde schooljaar bekend van de toenmalige groep 8-leerlingen. Anders dan de Feron et al. (2015) studie weten we niet alleen de plaatsing in het derde leerjaar, maar ook wat docenten geadviseerd hebben in 2014-2015 voorafgaand aan de toetsafname. Specifiek richten wij ons in dit paper op de volgende vier vragen:

  1. Was er een (systematische) discrepantie tussen het docentadvies en het toetsadvies van de Centrale eindtoets in 2014-2015 voor dit cohort leerlingen?
  2. Volgen deze leerlingen nu onderwijs op het niveau dat de docent en/of de Centrale eindtoets adviseerde?
  3. Hoe vaak zijn leerlingen geswitcht tussen VO-niveaus, en zijn deze switches te verklaren vanuit het docenten/ of Centrale eindtoetsadvies?
  4. Zouden de leerlingen baat hebben gehad bij een verplichte in plaats van optionele bijstelling van het docentadvies wanneer het Centrale eindtoetsadvies hoger uitviel?

Met behulp van longitudinale gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zullen we deze vragen beantwoorden. Omwille van de leesbaarheid hebben we allerlei technische zaken naar vier online appendices verplaatst die via het open science framework zijn te raadplegen.

Omschrijving van de data

Voor onze analyses maakten we gebruik van de Centrale eindtoetsresultaten, docentadviezen en gegevens over plaatsing in het VO van 119.751 leerlingen, opgenomen in het databestand van het CBS.2 Appendix A bevat een gedetailleerde omschrijving van de totstandkoming en beschikbaarheid van de data. Het docentadvies betreft het advies die de groep 8-docent bij de Centrale eindtoets op het formulier heeft ingevuld. Dit kan een enkelvoudig (vmbo, havo of vwo) of een meervoudig (vmbo-havo, havo-vwo) advies zijn. Zie Appendix A voor een definitie van deze soorten adviezen en de verwerking hiervan in de analyses.

Met betrekking tot de plaatsing kiezen wij ervoor de vier verschillende vmbo-niveaus (bb, bbkb, kb en gt) te combineren onder de noemer ‘vmbo’. Wij kiezen hiervoor omdat de doorstroom binnen het vmbo doorgaans gemakkelijker verloopt dan de doorstroom tussen het vmbo en de havo (Onderwijsraad, 2018)9 en de havo en het vwo (Exalto et al., 2019)1. Het onderscheid tussen de diverse vmboniveaus is daarmee minder bepalend voor de verdere schoolcarrière van de leerling dan het onderscheid vmbo-havo-vwo.

1. Discrepantie centrale eindtoets- en docentadvies

Is er een systematische discrepantie tussen het docentadvies en het Centrale eindtoetsadvies in schooljaar 2014-2015? Wanneer we een grof onderscheid maken tussen vmbo, vmbo/havo, havo, havo/vwo- en vwo-adviezen, dan blijkt dat docentadvies en Centrale eindtoetsadvies exact matchten voor 56,1% van de 119.751 onderzochte leerlingen (zie figuur 1). Voor 29,4% van de onderzochte leerlingen viel het Centrale eindtoetsadvies ten minste een half niveau hoger uit dan het docentadvies. Een ‘half niveau’ verschil betekent hier dat docent, Centrale eindtoets (of beide) een meervoudig advies gaven en de docenten Centrale eindtoets adviezen gedeeltelijk overlappen. Een voorbeeld is een havo docentadvies en een havo-vwo Centrale eindtoetsadvies. Voor slechts 14,5% van de leerlingen lag het docentadvies ten minste een half niveau hoger. Als we strenger zijn en óók eisen dat docent en Centrale eindtoets precies hetzelfde vmbo-advies geven (bb, bbkb, kb en gt), dan zakt het percentage overeenstemming van 56,1% naar 37,6% – zie Appendix B voor extra informatie hierover.

Als we kijken naar het soort adviezen, dan valt op dat docenten in schooljaar 2014-2015 minder snel geneigd waren een meervoudig advies (vmbo-havo, havo-vwo) te geven dan de Centrale eindtoets. Waar de Centrale eindtoets bijvoorbeeld 16.566 leerlingen (13,8%) van een vmbo-havo advies voorzag, gaven docenten een dergelijk advies slechts aan 10.576 leerlingen (8,8%). En waar de Centrale eindtoets 22.756 leerlingen havo-vwo adviseerde (19,0%), bleef dit aantal steken op 11.159 leerlingen (9,3%) met een havo-vwo docentadvies. Verder valt op dat de Centrale eindtoets relatief vaak in een vwo-advies resulteerde (24.297 leerlingen (20,3%) ten opzichte van 23.037 (19,2%) met een vwo-docentadvies).

2. De overeenstemming van de huidige plaatsing met docent- en centrale eindtoets-advies

Uit de voorgaande sectie bleek dat het Centrale eindtoetsadvies en het docentadvies zeker niet altijd hetzelfde waren. Dit roept de vraag op: matcht, achteraf gezien, het Centrale eindtoetsadvies of het docentadvies beter met de huidige plaatsing binnen het VO? Wij geven antwoord op deze vraag door te kijken naar de voorspellende waarde van de Centrale eindtoets en het docentadvies voor de plaatsing van leerlingen drie jaar later. De keuze voor het derde leerjaar van het VO is bewust: de leerling kan vaak binnen de eerste twee jaar nog relatief eenvoudig van niveau switchen.

2.1. Match met docent- én centrale eindtoets-advies

Driekwart van de leerlingen in 2017-2018 is geplaatst in overeenstemming met zowel het docentadvies als de uitslag van de Centrale eindtoets (zie ‘Gemiddeld’, figuur 2). Havoleerlingen zijn relatief het minst in overeenstemming met zowel de docent als de Centrale eindtoets geplaatst. Dit komt niet als een totale verrassing. Bij een niet-match op de havo kan er sprake zijn van onderén overschatting door docent en Centrale eindtoets. Bij vmbo-en vwo-leerlingen, daarentegen, kan er respectievelijk enkel sprake zijn van over- of onderschatting. Het percentage ‘overeenstemming met docent en toets’ ligt het hoogst bij het vwo.

2.2. Match met docent- óf centrale eindtoets-advies

Wanneer Centrale eindtoetsen docentadvies niet overlapten in 2014-2015, is de leerling in 2017-2018 gemiddeld gezien in meer gevallen geplaatst in overeenstemming met het docentadvies dan het Centrale eindtoetsadvies (zie ‘Gemiddeld’, figuur 2). De voorspellende waarde van het docentadvies is met name beter voor leerlingen op het vmbo: 13,4% is enkel geplaatst in overeenstemming met het docentadvies ten opzichte van 3,8% in overeenstemming met enkel het Centrale eindtoetsadvies. Op de havo liggen de percentages ‘enkel in overeenstemming met docent’ en ‘enkel in overeenstemming met de Centrale eindtoets’ dichter bij elkaar. Op het vwo is het juist de Centrale eindtoets die vaker gelijk kreeg: 10,7% van de leerlingen is hier enkel in overeenstemming geplaatst met de Centrale eindtoets tegenover 4,7% in overeenstemming met de docent.

3. Switch-gedrag van leerlingen

Figuur 3 laat voor leerlingen met een vmbo, havo- en vwo-docentadvies zien wat hun initiële plaatsing was in het vo in 20152016 en waar ze in 2017-2018 terecht zijn gekomen. Een gedetailleerdere versie van figuur 3 is te vinden in Appendix C, evenals een versie voor leerlingen met een vmbo-havo en havo-vwo docentadvies. Hieronder bespreken we het verschil tussen het docentadvies en de initiële plaatsing (linkerkant figuur 3) het switchgedrag van leerlingen tussen initiële en uiteindelijke plaatsing (rechterkant figuur 3) en of dit switchgedrag verklaard kan worden vanuit docenten Centrale eindtoetsadvies.

3.1. Verschil docentadvies en initiële plaatsing

VO-scholen hoeven leerlingen niet in perfecte overeenstemming met het docentadvies te plaatsen. Ouders en leerlingen zelf spelen bijvoorbeeld een belangrijke rol in de uiteindelijke keuze van schooltype. Ook zijn er scholen die een zogenaamde ‘brede stroom’ aanbieden, waar alle niveaus van voortgezet onderwijs bij elkaar in de klas komen. In figuur 3 valt op dat leerlingen met een vmbo- of vwo-advies in 20152016 relatief vaak in een vmbo- of vwo- klas gestart zijn. Leerlingen met een havo-docentadvies, daarentegen, kwamen slechts in een kwart van de gevallen in een havo-brugklas terecht. Deze leerlingen startten veel vaker in een havo-vwo brugklas en maakten relatief vaak gebruik van een ‘brede stroom’-klas.

3.2. Verschil initiële plaatsing en plaatsing in leerjaar 3

Voor leerlingen met een vmbo-advies en vwo-docentadvies is sprake van een relatief hoge mate van stabiliteit (figuur 3): ze starten en eindigen vaak op respectievelijk het vmbo en het vwo. Leerlingen met een havo-docentadvies zijn mobieler en stromen vaker op( switch naar ten minste een half niveau hoger) en af (switch naar ten minste een half niveau lager). Opvallend is bijvoorbeeld de behoorlijke afstroom van havisten naar het vmbo. Over het algemeen geldt dat leerlingen met eenzelfde docentadvies relatief vaker open afstromen wanneer zij gestart zijn in een brede brugklas of een combinatieklas.

3.3. Switch-gedrag en de relatie met docent- en centrale eindtoetsadvies

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom leerlingen switchen. Een switch kan bijvoorbeeld verplicht zijn, omdat het brugklastype niet meer wordt aangeboden in het derde leerjaar van het VO. Denk bijvoorbeeld aan een switch van vmbo-havo brugklas naar havo. Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke advies van de docenten/ of de Centrale eindtoets accuraat was, maar de initiële plaatsing in het VO hier niet (perfect) op aansloot (zie sectie 3.1). Ten slotte kunnen er allerlei, door de docent en Centrale eindtoets, onvoorziene omstandigheden zijn waarom een leerling opof afstroomt. Figuur 4 vat het switchgedrag van de 119.751 leerlingen samen. Te zien is dat 39.304 leerlingen (32,8% van het totaal aantal leerlingen) zijn geswitcht tussen 20152016 en 2017-2018. Van deze 39.304 leerlingen zijn 15.279 leerlingen opgestroomd (38,9% van alle switchers) en 24.025 leerlingen (61,1% van alle switchers) afgestroomd.

In ruim de helft van alle gevallen is de switch in overeenstemming met het docentén het Centrale eindtoetsadvies; 55,2% bij opstromers en 55,5% bij afstromers (‘overeenstemming’ betekent dat er in ieder geval overlap is met het advies). Wanneer docenten Centrale eindtoetsadvies niet overlappen, voorspelt de Centrale eindtoets de uiteindelijke plaatsing van opstromers beter dan de docent. Ruim een kwart (25,8%)van de opstromers switcht namelijk naar een niveau dat enkel matcht met het Centrale eindtoetsadvies. Minder dan 10% stroomt op naar een niveau dat enkel de docent voorspelde. Bij de afstromers is het juist de docent die de uiteindelijke plaatsing (iets) beter voorspelt. Voor hen geldt dat bijna een kwart (18,7%) switcht naar een niveau wat enkel geadviseerd werd door de docent; 11,5% van de afstroom werd enkel voorzien door de Centrale eindtoets.

4. Bijstelling na hogere centrale eindtoets-uitslag

Al eerder merkten we op dat weinig scholen na een hogere Centrale eindtoetsuitslag het docentadvies naar boven bijstelden. Nu we weten dat ruim een kwart van de opstromers (zie sectie 3.3) switcht naar het hogere, door de Centrale eindtoets geadviseerde niveau, is de vraag of deze geringe bijstelling terecht is geweest. In deze sectie stellen we onszelf daarom de hypothetische vraag: zou een verplichte bijstelling van het originele advies goed zijn geweest of niet? Deze vraag beantwoorden we door te kijken naar de plaatsingspercentages in 2017-2018; de percentages leerlingen die met een bepaald docenten Centrale eindtoetsadvies in 2017-2018 op het vmbo, de havo en het vwo terecht zijn gekomen.

We kijken bijvoorbeeld naar de 37.332 leerlingen met een eenduidig vmbo-advies. ‘Eenduidig’ betekent hier zowel een vmbo-advies van de docent als Centrale eindtoets. Slechts2,1% van de leerlingen met een eenduidig vmbo-advies volgt in 2017-2018 onderwijs op havoniveau. We kijken ook naar de 8.710 leerlingen met een vmbo docentadvies en een vmbo-havo Centrale eindtoetsadvies. Binnen deze groep met leerlingen volgt 10,1% drie jaar later onderwijs op havoniveau. Het verschil tussen de percentages 2,1% (eenduidig vmbo-advies) en 10,1% (vmbo docentadvies, vmbo-havo Centrale eindtoetsadvies) is interessant. Dit verschil vertelt ons dat de kans op havo-plaatsing in 2017-2018 groter was bij een vmbo-havo Centrale eindtoetsadvies dan bij een vmbo Centrale eindtoetsadvies. Voor sommige leerlingen met een vmbo-docentadvies en een vmbo-havo Centrale eindtoetsadvies was een bijstelling naar een vmbo-havo docentadvies dus gepast geweest. Op eenzelfde manier hebben we gekeken naar de plaatsingspercentages van leerlingen met elke andere combinatie van docenten hoger Centrale eindtoetsadvies. Net als hierboven hebben we deze plaatsingspercentages vergeleken met die van leerlingen met een eenduidig vmbo, havo- en vwo-advies. Al deze vergelijkingen staan gedetailleerd beschreven in Appendix D.

Hieronder bespreken we de belangrijkste conclusies uit deze vergelijkingen en geven we enkele voorbeelden. We verdelen de leerlingen met een hogere Centrale eindtoetsuitslag daarbij in twee groepen: (1) leerlingen waarbij het docenten Centrale eindtoetsadvies overlapten (sectie 4.1) en (2) leerlingen waarbij het docenten Centrale eindtoetsadvies niet overlapten (sectie 4.2). Die eerste groep beslaat bijna driekwart van alle leerlingen met een hoger Centrale eindtoetsadvies.

4.1. Overlap docent- en centrale eindtoetsadvies

Overlap tussen docenten Centrale eindtoetsadvies ontstaat als één van de twee adviezen een meervoudig advies betreft. Een voorbeeld is een havo-vwo docentadvies en een vwo Centrale eindtoetsadvies, of een havo docentadvies en een havo-vwo Centrale eindtoetsadvies. Wanneer het docentadvies een meervoudig advies betreft, switchen relatief veel leerlingen naar het niveau dat niet overeenkomt met het enkelvoudige Centrale eindtoetsadvies. In het voorbeeld met een havo-vwo docentadvies en vwo Centrale eindtoetsadvies, bijvoorbeeld, eindigt in 2017-2018 30,0% op de havo. Ter vergelijking: onder leerlingen met een eenduidig vwo-advies ligt dit percentage veel lager (6,4%). Wanneer het Centrale eindtoetsadvies een meervoudig advies betreft, geldt dat relatief veel leerlingen switchen naar het niveau dat niet overeenkomt met het enkelvoudige docentadvies. Bij een havo docentadvies en een havo-vwo Centrale eindtoetsadvies, gaat 19,2% bijvoorbeeld alsnog naar het vwo. Dit percentage ligt bijna twee keer zo hoog als het percentage leerlingen met een eenduidig havoadvies dat op het vwo terechtkomt (10,1%). Het lijkt op basis van deze twee voorbeelden (en de voorbeelden in de online Appendix D) daarom gepast te kiezen voor het meervoudige docent- of Centrale eindtoetsadvies.

4.2. Geen overlap docent- en centrale eindtoetsadvies

Het ontbreken van overlap tussen docenten Centrale eindtoetsadvies komt met name voor als zowel docentadvies als Centrale eindtoetsadvies enkelvoudig zijn. Een voorbeeld is een havo docentadvies en een vwo Centrale eindtoetsadvies. In deze gevallen ligt het percentage opstromers naar het hogere, door de Centrale eindtoets geadviseerde niveau relatief hoog. In het voorbeeld met een havo docentadvies en een vwo Centrale eindtoetsadvies gaat bijvoorbeeld 36,9% van deze leerlingen alsnog naar het vwo. Dit percentage ligt vele malen hoger dan het percentage vwo’ers onder de groep leerlingen met een eenduidig havoadvies (10,1%).

Andere combinaties van enkelvoudige docenten Centrale eindtoetsadviezen laten een soortgelijk patroon zien. Ondanks dat leerlingen nog steeds het vaakst in overeenstemming met het docentadvies zijn geplaatst in 2017-2018, zijn er dus ook relatief veel leerlingen die hun Centrale eindtoetsadvies geheel of gedeeltelijk ‘waar’ maken. Het meewegen van het Centrale eindtoetsadvies lijkt daarom in deze gevallen aan te raden. Zo was in het voorbeeld van een havo docentadvies en vwo Centrale eindtoetsadvies een havo-vwo docentadvies mogelijk een geschikte bijstelling geweest.

Conclusie

In schooljaar 2014-2015 ging een controversiële wetswijziging in: niet de Centrale eindtoets maar het advies van de groep 8-docent werd leidend in de plaatsing van leerlingen in het voortgezet onderwijs. In dit artikel keken wij – met behulp van door het CBS verzamelde data – hoe het de groep 8-leerlingen uit 2014-2015 is vergaan. Hieronder beantwoorden we samenvattend de vier in de inleiding gestelde vragen.

1. Was er een (systematische) discrepantie tussen het docentadvies en de Centrale eindtoets in 2014-2015?

Ondanks de gedeeltelijke overlap tussen docenten Centrale eindtoetsadvies bleek in 2014-2015 inderdaad sprake van een systematische discrepantie. Zo bleek het Centrale eindtoetsadvies vaker hoger te liggen en ook vaker een meervoudig advies te zijn; een combinatie van twee nabijgelegen onderwijsniveaus.

2. Volgen leerlingen met een verschillend toets- en docentadvies nu meer het onderwijs op het niveau dat de docent of de Centrale eindtoets adviseerde?

Het overgrote deel van de leerlingen volgt drie jaar later onderwijs op een niveau dat overeenstemt met zowel het initiële docent als het Centrale eindtoetsadvies. Wanneer dit niet het geval was, dan waren leerlingen met name vaker in overeenstemming geplaatst met het docentadvies op het vmbo. Op het vwo waren leerlingen juist vaker in overeenstemming geplaatst met het Centrale eindtoetsadvies. Bij de havo waren leerlingen ook vaker in overeenstemming met de docent geplaatst, maar lagen de percentages voor docent en de Centrale eindtoets dichter bij elkaar.

3. Hoe vaak zijn leerlingen geswitcht tussen VO-niveaus, en zijn deze switches te verklaren vanuit het docent- en/of Centrale eindtoetsadvies?

Vooral leerlingen met een havo-docentadvies bleken relatief vaak te switchen van onderwijsniveau tussen leerjaar 1 en leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs. Maar ook binnen de groep leerlingen met een vmbo- of vwo-advies kwam enige migratie voor. Opstromers switchten daarbij relatief vaker naar een niveau dat in overeenstemming was met hun oorspronkelijke Centrale eindtoetsadvies. Afstromers, aan de andere kant, switchten relatief vaker naar een niveau dat in overeenstemming was met hun oorspronkelijke docentadvies.

4. Zouden leerlingen baat hebben gehad bij een bijstelling van het docentadvies wanneer het Centrale eindtoetsadvies hoger uitviel?

Over het algemeen geldt dat het voordelig lijkt om de informatie van docent en Centrale eindtoets te combineren in een meervoudig advies dat ofwel beide enkelvoudige adviezen behelst, ofwel overeenkomt met het meervoudige advies van de docent of de Centrale eindtoets.

Discussie

De resultaten uit de voorgaande secties dienen enigszins in perspectief geplaatst te worden. Zo kijken wij in het huidige artikel naar de voorspellende waarde van het Centrale eindtoetsen docentadvies voor plaatsing drie jaar later. Dit geeft weliswaar een indicatie van de (meer)waarde van beide adviezen, maar geeft geen perfect antwoord op de vraag welk advies nu accurater is. Zo spelen in de schoolloopbaan in het VO allerlei onvoorziene factoren een rol die het daadwerkelijke studiesucces bepalen (‘Onder advisering in beeld’, Inspectie van het Onderwijs, 2007)3, door de (gebrekkige of bevorderlijke) kwaliteit van het onderwijs of ontwikkelingen in de levensloop van de adolescent.

Een voorbeeld van effecten op schoolniveau is dat het de leerling soms wordt bemoeilijkt om op of af te stromen doordat veel scholengemeenschappen geen meerjarige brede brugperiodes meer hanteren en er een steeds sterkere scheiding van schoollocaties zichtbaar is voor vmbo, havo en vwo (Van De Werfhorst, Elffers & Karsten, 2015)18. Een verschil tussen initiële plaatsing en uiteindelijke plaatsing in het VO kan volgens de Inspectie van het Onderwijs ook te wijten zijn aan verschillen in pedagogisch-didactische aanpak tussen het PO en VO (Inspectie van het Onderwijs, 2007; zie ook Korpershoek et al., 2016)6.

Verder verschillen docenten Centrale eindtoetsadvies in het gebruik van categorieën voor de gegeven adviezen. Van de docenten krijgen leerlingen in 2014-2015 minder vaak een meervoudig advies dan van de Centrale eindtoets. Deze beperkte meervoudige advisering kan verschillende redenen hebben gehad. Zo konden docenten na de invoering van de wet Eindtoetsing PO maximaal twee leerwegen adviseren, waar dit voorheen onbegrensd was. Het idee was scholen te stimuleren een weloverwogen en gericht advies te geven, maar mogelijk heeft dit ook tot een voorkeur voor enkelvoudige adviezen geleid (zie Kamerbrief ‘Tussenevaluatie wet eindtoetsing PO, 26 januari 2016). Daarnaast bleken er in veel regio’s afspraken te zijn gemaakt tussen PO- en VO- scholen om uitsluitend of bij voorkeur enkelvoudig te adviseren. Een voorbeeld van ontwikkelingen op leerlingniveau is dat de leerling zich kan aanpassen aan zijn leeromgeving bij een te lage inschatting, waardoor hij niet switcht naar het niveau waar hij eigenlijk beter op zijn plek zit. Zo wordt een te laag advies soms een self-fulfilling prophecy. Ten slotte is het belangrijk te benadrukken dat onze resultaten zijn gebaseerd op één cohort leerlingen. Onze conclusies gelden dus voor de leerlingen die in 2014-2015 hun docenten Centrale eindtoetsadvies kregen. Eventuele verschillen met eerdere en latere cohorts zijn niet onderzocht.

Praktische implicaties

Ondanks de bovengenoemde limitaties geeft het huidige artikel een duidelijke indicatie dat docenten Centrale eindtoetsadvies ieder zijn eigen voordelen hebben. Het antwoord op de vraag ‘wie weet het beter, de docent of de Centrale eindtoets?’ – de titel van dit artikel – is dus dat niet één van de twee altijd superieur is aan de ander. De docent blijkt de plaatsing van met name vmboleerlingen en in mindere mate havoleerlingen goed te voorspellen, terwijl de Centrale eindtoets beter voorspelt welke leerlingen op het vwo eindigen. En waar de opstromers met name switchen naar een niveau in 2017-2018 dat aansluit bij het Centrale eindtoetsadvies, switchen afstromers in 2017-2018 met name in de richting van het docentadvies.

Om optimaal gebruik te maken van beide adviezen, stellen wij daarom voor het docentadvies en Centrale eindtoetsadvies te combineren. Zo worden leerlingen¼niet afgerekend op een enkel toetsresultaat, maar zijn zij ook niet te sterk afhankelijk van het oordeel van een docent. Een praktische oplossing is het stimuleren van meervoudige adviezen die docentadvies én Centrale eindtoetsadvies behelsen. Het idee om het Centrale eindtoetsadvies mee te wegen in het docentadvies én om vaker te richten op meervoudige adviezen, sluit aan bij het sectoraal standpunt geformuleerd door de PO-raad (PO-raad, 2018)11. Ook past het bij de ontwikkeling dat met ingang van dit schooljaar de Centrale eindtoets enkel in meervoudige adviezen resulteert3 (met één uitzondering: het enkelvoudige vwo-advies).

Merk op dat onze resultaten niet één op één overgenomen dienen te worden in de advisering van leerlingen. Globaal is het bijvoorbeeld het geval dat de Centrale eindtoets beter voorspelt welke leerlingen op het vwo terechtkomen. Dit betekent echter niet dat elk vwo-advies van de Centrale eindtoets klakkeloos overgenomen dient te worden. Hetzelfde geldt voor docentadviezen: niet elk vmbo-advies is terecht. Advisering is en blijft immers maatwerk en moet in een breder perspectief worden beschouwd.

Al met al is onze boodschap niet te kiezen voor óf de docent óf de Centrale eindtoets, maar voor iedere leerling te zoeken naar de optimale combinatie van beide. Hoe zo’n optimale combinatie er precies uit ziet, kan vervolgonderzoek uitwijzen.

Kimberley Lek doet met een NWO-onderzoekstalent beurs promotieonderzoek aan de Universiteit Utrecht, bij de afdeling Methoden en Statistiek. De titel van dit project is ‘How to hedge our bets in educational testing: combining test results with teacher expertise’. Het huidige artikel is een aanzet om te laten zien waarom het combineren van beide bronnen essentieel is. In een andere publicatie laat ze zien hoe docenten met een online app hun inschatting over leerlingen kunnen visualiseren (Lek & Van de Schoot, 2018).

Rens van de Schoot werkt op een VIDI-beurs van NWO waarvoor hij met zijn team werkt aan Bayesiaanse methoden om expertkennis, bijvoorbeeld van docenten, te koppelen aan geobserveerde data, zoals de score op de Centrale eindtoets. Ook is hij lid van de Jonge Akademie van de KNAW alwaar hij aan projecten werkt voor een meer open en transparante wetenschap.

1. De Centrale eindtoets wordt aangeboden door het College voor Toetsen en Examens, een zelfstandig bestuursorgaan van de overheid, en ontwikkeld door CITO. Naast deze eindtoets konden scholen in schooljaar 2014/2015 ook kiezen voor ROUTE 8 (ontwikkeld door A-VISION) en de Dia-eindtoets (Bureau ICE). Inmiddels zijn daar de Dia-eindtoets en de AMN eindtoets bijgekomen. De data die wij gebruikt hebben voor dit artikel bevat enkel leerlingen die de Centrale eindtoets hebben afgerond.

2. Deze data werd aan ons beschikbaar gesteld onder strikte voorwaarden gericht op het beschermen van individuele persoonsgegevens.

Literatuurlijst
  1. Exalto, R., Sipkens, D., Klein, T. & Kooij, D. (2019). Terecht overstaprecht? Doorstroom havo-vwo. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/01/10/terecht-overstaprecht-doorstroom-havo-vwo.
  2. Feron, E., Schils, T., & Ter Weel, B. (2015). Does the teacher beat the test? The additional value of teacher assessment in predicting student ability. Geraadpleegd van https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-discussion-paper-300-does-teacher-beat-test.pdf.
  3. Inspectie van het Onderwijs (2007). Onderadvisering in beeld. Geraadpleegd van http://tinyurl.com/y4xefow8
  4. Inspectie van het Onderwijs (2018). De Staat van het Onderwijs 2016-2017. Geraadpleegd van https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2018/04/11/rapport-de-staat-van-het-onderwijs.
  5. Kamerman, S. & Vasterman, J. (2015, 30 maart). De leerkracht weet het vaak écht beter dan de Citotoets. NRC.next. Geraadpleegd van http://tinyurl.com/y549mbxe
  6. Korpershoek, H., Beijer, C., Spithoff, M., Naaijer, H. M., Timmermans, A. C. et al. (2016). Overgangen en aansluitingen in het onderwijs. Deelrapportage 1: reviewstudie naar de po-vo en de vmbo-mbo overgang. Geraadpleegd van https://www.nro.nl/wp-content/uploads/2016/03/Eindrapport-405-14-402-project-1-Reviewstudie-naar-de-po-vo-en-de-vmbo-mbo-overgang.pdf.
  7. Lek, K. & Van De Schoot, R. (2018). Development and Evaluation of a Digital Expert Elicitation Method Aimed at fostering Elementary School Teachers’ Diagnostic Competence. Frontiers in Education, 3, 82. doi:10.3389/feduc.2018.00082
  8. Niessen, S. & Meijer, R. (2016, 15 april). De leerkracht is geen meetinstrument. NRC.next. Geraadpleegd van http://tinyurl.com/y5orrwom
  9. Onderwijsraad (2018). Advies gelijke kans op doorstroom vmbo-havo. Geraadpleegd van https://www.onderwijsraad.nl/upload/documents/publicaties/volledig/Advies-doorstroom-vmbo-havo.pdf.
  10. Oomens, M., Scholten, F., & Luyten, H. (2016). Evaluatie Wet Eindtoetsing Po, tussenrapportage. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/01/27/tussenrapport-age-evaluatiewet-eindtoetsing-po.
  11. PORaad (2018). Overgang PO-VO: Sectoraal standpunt. Geraadpleegd van http://tinyurl.com/yxjkcp8d
  12. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014). Toetsbesluit PO. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2014/01/20/toetsbesluit-po.
  13. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015). Overgang van primair naar voortgezet onderwijs. Geraadpleegd van http://rijksoverheid.archiefweb.eu/#archive.
  14. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015). Eerste inzichten Wet Eindtoetsing PO. Geraadpleegd van http://rijksoverheid.archiefweb.eu/#archive.
  15. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2016). Eerste inzichten inzake de wet Eindtoetsing Primair Onderwijs. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/03/01/kamerbrief-over-de-eerste-inzichten-inzake-de-wet-eindtoetsing-primair-onderwijs.
  16. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017). Tussenevaluatie Wet Eindtoetsing PO. Geraadpleegd van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2017/01/27/kamerbrief-over-tussenevaluatie-wet-eindtoetsing-po.
  17. Timmermans, A., Kuyper, H. & Van Der Werf, G. (2013). Schooladviezen en onderwijsloopbanen: Voorkomen, risicofactoren en gevolgen van onder- en overadvisering. Gronings Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs (GION), ISBN 9789066905238.
  18. Van De Werfhorst, H., Elfers, L., & Karsten, S. (2015). Onderwijsstelsels vergeleken: Leren, werken en burgerschap. Geraadpleegd van http://tinyurl.com/y25up4t2
  19. Van Spijker, F., Van der Houwer, K. & Van Gaalen, R. (2017). Invloed ouderlijk opleidingsniveau reikt tot ver in het voortgezet onderwijs. ESB Onderwijs en Wetenschap, 102, 234236.