Lees verder
Toen ik op het vmbo zat, liep ik een krantenwijk. Om half zes ’s ochtends zat ik vaak op de rand van mijn bed mijn schoenen aan te trekken. Dat was toevallig het vaste tijdstip waarop Frasier werd uitgezonden, een televisieserie over een psychiater met een eigen radioprogramma waarin hij problemen van luisteraars behandelt. Uiteindelijk raakte ik er verslaafd aan.
Anouk Bercht

Het karakter van de hoofdpersoon sprak me aan. Niet alleen omdat ik moest lachen om zijn klungeligheid, maar hij inspireerde mij omdat hij anderen hielp. Ik besloot dat ik psycholoog wilde worden. Laat mij maar mensen helpen door met ze te praten, dacht ik.

Na het vmbo volgde ik de opleiding tot sociaal-cultureel werker op het mbo. Toen ik uiteindelijk Toegepaste Psychologie in Deventer studeerde, bloeide ik helemaal op. Tussendoor zat ik nog een jaar op de sporthogeschool, maar ik haalde mijn propedeuse niet. Ik had daarom niet meer verwacht dat ik de toetsen van Toegepaste Psychologie zou halen. Maar het lukte. Ik dacht: wauw, ik kan dit! Mijn leukste studententijd was toen. Ik woonde samen met vier andere studenten en als we ’s avonds wat gedronken hadden, ontstonden er allerlei filosofische gesprekken. Over hoe het met ons ging, wat we voelden en wat dat dan betekende. Het ging ook over hoe mensen in elkaar zitten. Het ging goed en mijn ambities groeiden. Inmiddels heb ik de master Positive Clinical Psychology & Technology behaald aan de Universiteit Twente.

Achteraf gezien denk ik dat ik in mijn pubertijd, en dus tijdens het ontwikkelen van mijn identiteit, een laag zelfbeeld had. Als puber voerde ik niet veel uit op school, waardoor ik afkukelde naar het vmbo. Ik begon namelijk wel op het vwo. Op het vmbo dacht ik steeds: zie je, ik ben helemaal niet zo slim.

­Aanmoedigen

Sinds kort werk ik als basispsycholoog bij Mediant. Ik voel me het meest thuis bij het behandelen van depressies. Ik zie mezelf ook als coach: iemand die anderen aanmoedigt om dingen aan te pakken. Dat is leuk om te doen en het helpt. Denk maar aan sport. Veel mensen presteren beter als iemand ze langs de zijlijn staat aan te moedigen. Ik kijk ernaar uit om succesmoment van cliënten uit te vergroten en samen te juichen dat het is gelukt. Nu voer ik vooral nog intakegesprekken. De cliënten die ik al spreek, moedig ik zoveel mogelijk aan. En als ik op een dag een of twee sessies heb waarin ik een succesmoment met een cliënt kan vieren, kom ik vol energie thuis.

Niet alleen radiopsychiater Frasier, ook de Belgische psychiater Dirk de Wachter inspireerde mij trouwens. En nog steeds. Hij zegt dat het oké is als het leven soms waardeloos is, dat negatieve emoties er gewoon bij horen. We zijn maar mensen. Ik probeer die overtuigingen, waar mogelijk tussen het uitvoeren van protocollen, toe te passen in mijn werk. Bijvoorbeeld als ik merk dat cliënten hoge eisen aan zichzelf stellen, of bang zijn te falen. Het biedt troost dan te zeggen: “Het is oké als het even rot gaat, je hoeft het probleem niet in twee sessies op te lossen.”

Ik zou graag goed willen worden in het geven van schematherapie. Het lijkt me leuk samen met de cliënt zijn of haar schema’s te ontdekken en uit te pluizen. En dan vooral om eurekamomenten te zien als cliënten doorhebben dat ze bepaalde dingen steeds op dezelfde manier aanpakken. Natuurlijk gaan we dan daarna samen juichen als het lukt dat anders te doen.

Naast schematherapie is er trouwens nog zo veel wat ik wil leren. Ik vind het lastig dat ik zelf ook cliënt ben geweest. In hetzelfde gebouw nota bene. Tijdens mijn studententijd had ik boulimiaklachten. Zelfbeeldproblemen spelen daar ook een rol in. Ik probeer nu nog weg te blijven bij het behandelen van eetstoornissen. Soms begrijp ik gedachtepatronen van cliënten met eetstoornissen namelijk vanuit mijn eigen problemen of denkfouten. Het is moeilijk mijn eigen denkfouten als ‘fout’ te zien. Cliënten met een laag zelfbeeld stellen bijvoorbeeld vaak te hoge, onrealistische eisen aan zichzelf, die zich vertalen naar gedachten als: het kan altijd beter. Als dat over eten of sporten gaat, is het lastig te onderscheiden wat ikzelf als gezond en fit zie, en wat daadwerkelijk gezond is.

‘ Ik vond het moeilijk in therapie te gaan terwijl ik psychologie studeerde

Uiteindelijk wil ik wel graag cliënten met eetstoornissen behandelen. Het is onzin dat te vermijden. Bij depressie en angst kom je ook vaak zelfbeeldproblematiek tegen. Ik vind het dan fijn aan cliënten te vertellen dat ik daar zelf ook last van had. Ik vind ook dat je dat als psycholoog mag doen. Dat vergroot de vertrouwensband, en moedigt aan. Cliënten merken dan dat ze niet de enigen zijn met problemen. Ik heb geen behoefte om als ervaringsdeskundige te werken, als ik een stukje van mijn ervaringen – negatief zelfbeeld- kan meenemen in de behandelingen.

Er ligt over het algemeen nog een taboe op psychische problemen waar psychologen zelf mee zitten, denk ik. Ik vond het bijvoorbeeld ook moeilijk in therapie te gaan terwijl ik psychologie studeerde. Maar door dat te doen, raakte ik wel overtuigd van de kracht van cognitieve gedragstherapie. Ik geloofde eerst niet dat het me kon helpen en dat mijn probleem dieper lag. Ik dacht dat ik psychotherapie nodig had. Ik was ook sceptisch omdat cognitieve gedragstherapie voor echt alles gebruikt wordt. Het voelde als een soort minimale inspanning, dat sprak me niet aan. Maar uiteindelijk ben ik echt opgeknapt van de therapie.

Ik wil graag gz-psycholoog worden, en in de verre toekomst een eigen praktijk, net als Frasier, haha. Ik vind het moeilijk te vertellen wat ik daar zo mooi aan vind. Een praktijk is huiselijker, een ggz-instelling heeft meer iets weg van een ziekenhuis. En als je naar een mooie, warme praktijk toegaat, voel je je denk ik wat minder patiënt.’

Beeld: Indra Simons